Het heilige water

De mythe zegt dat een Rwandese koningin op een dag haar matras liet drogen die ’s nachts werd doorweekt. De druppels drupten op de grond, vormden een beekje, het beekje werd een rivier, de rivier stroomde verder en zo ontstond het Kivu-meer.

De matras van de koningin was doorweekt dankzij haar orgasme.
Ik denk: als er een plaats bestaat waar het vrouwelijke orgasme het land kan veranderen, dan moet ik daar zo snel mogelijk heen.

Ik doe wat opzoekwerk rond het heilige water, ik lees via Google ‘God heeft deze oceaan aan ieder van ons gegeven’ en ik boek een vliegticket naar Rwanda.

De eerste met wie ik over het heilige water spreek, is Clovis, een man van rond de dertig: ‘Vrouwen komen hier klaar als fonteinen. Het is geen verzinsel. Ik heb het gezien. Ik zweer het je, Julie, het water bleef maar stromen.’ Hij hapt naar adem tijdens zijn getuigenis. Tot op heden moet hij nog steeds bekomen.
‘Hoeveel water was het dan, één liter?’
‘Nee, nee, zeker acht à negen liter. Het vloeit, overvloedig! Ik heb de volgende nacht bij mijn huisgenoot moeten slapen, mijn matras was na een dag nog steeds niet opgedroogd.’

Mannen spreken hier over het vrouwelijk orgasme als over een feest, muziek, een heroïsche daad.

Enkele dagen later zit ik op de bus. Ik zit naast een bloedmooi meisje, Noah. We geraken aan de praat en na twintig minuten houd ik het niet meer: ‘Ken jij het heilige water?’ Ze komt niet meer bij van het lachen. Als ze weer op adem komt, zegt ze – nu heel ernstig: ‘Ja, ik ken het. En ik heb het. I have the water. En jij hebt het ook. Het is belangrijk dat je verlangens bevredigd worden. Hier is het heel normaal om je man te verlaten met als reden: ‘I’m sorry, I’m not satisfied.’

Ze beschrijft het vrouwelijke orgasme niet als een geschenk, maar als een vereiste. Als een trilling die de wereld in beweging brengt. Ze zegt: ‘Een vrijpartij waarbij de vrouwelijke orgasmes het ritme bepalen, is een wezenlijk andere vrijpartij. Je moet het proberen.’
‘Is het echt zoveel water?’
‘You want to see a video?’
‘A youtube video?’
‘I’ll show you my personal video.’

Ik zie het lid van haar vriendje, maar ik zie vooral veel water. Het stroomt, stroomt en het blijft maar stromen. Ik zweer je dat het liters zijn.
‘Hoe kan ik dat water krijgen?’
‘Kom straks met me mee. Ik zal je een medicijn geven, water met drie soorten bloemen. Daarna zullen we samen op bed liggen en zal ik het je tonen. De koningin gaf ons het water en nu kunnen alle vrouwen op de wereld het aan elkaar doorgeven.’

En zo rijden Noah en ik door het land van de duizend heuvels naar het Kivu-meer.

heilige water.jpg

Foto door Maxime Ballesteros 

Deze column verscheen op 16/08/2018 in de reeks ‘Zomertijd’ van De Standaard

Goma

Ik zwem in het Kivumeer in de Rwandese stad Gisenyi. Vanaf hier zie je de Congolese stad Goma in de verte liggen. De meesten die hier zwemmen, zijn Congolezen. Hier is het rustiger dan in Congo. Toch hebben ze het maar over één ding: hun stad, Goma.

‘Hoe is het leven daar?’, vraag ik een man van rond de veertig.
‘Vous connaissez la réalité au Congo. Mais quand même ça évolue.’
Velen die over Goma spreken, eindigen hun zin op dezelfde manier: ça évolue, ça évolue.
‘Er is geen water, geen elektriciteit. En er zijn diefstallen. Vorige week hebben ze in een wijk een dief op de barbecue gegooid en opgegeten. Gewoon met mes en vork op een bordje, en wat saus. De mensen wilden duidelijk maken dat ze de dieven beu waren. Sindsdien zijn er geen diefstallen meer in die wijk.’

Er wordt ook weleens beweerd dat de choquerende verhalen over Goma verzinsels zijn. De lugubere geruchten maken de mensen bang, geven hen geen stabiliteit, geen vertrouwen in hun stad, in de ander, in zichzelf. Een dictator heeft angst nodig, zo kan hij regeren.

Ik zit nu op het strand en een jongen van een jaar of twaalf komt bij me zitten. Hij stelt zich voor als Samuel en vraagt me hoe het leven in België is. Hij zegt: ‘Ik wil naar België om onze kolonisatoren te ontmoeten.’
‘Waarom?’
‘Ik wil hen zeggen dat ze terug moeten komen.’
Ik zeg hem dat het goed is dat de tijd van de kolonies achter ons ligt, dat onafhankelijkheid altijd beter is. Hij zegt: ‘Mais madame, maintenant, c’est le désordre.’

Een jongen van achttien komt ook bij ons zitten, zijn naam is Joshua.
‘Hoe is het leven in Goma?’
‘C’est la guerre, mais ça évolue.’
Hij zegt: ‘Jullie hebben ons misschien de onafhankelijkheid gegeven, maar die onafhankelijkheid wordt niet beleefd. Congo is een land vol diamanten. Wij kennen ons land, maar het zijn de blanken die altijd alles afnemen. We zijn nog steeds slaven, we leven nog als gekoloniseerden, we leven in een dictatuur.’
‘Wie kan jullie helpen?’
‘De Congolezen zelf. On a besoin du pouvoir au peuple. Ca va évoluer, ca va évoluer. Parce qu’on résiste. Een mens is samengesteld uit drie dingen; een lichaam, een ziel en een geest. Het is de geest die ons naar het bovennatuurlijke laat reiken.’

Samuel blijft stil. Joshua tuurt in de verte en vraagt me: ‘Is het in België eigenlijk toegestaan dat blanken met zwarten trouwen?’
‘Natuurlijk.’
‘Leg me dan eens uit waarom ik hier bijna nooit een zwarte zie die samen is met een blanke? Vanwaar die gigantische kloof tussen les blancs et les nègres? On a le même sang, on a le même souffle. Ca me fait mal.’

We zwijgen nu lange tijd. We luisteren naar het geluid van de golven die aanspoelen. De zon gaat onder, de hemel en het water worden roze.
De kleine jongen, Samuel, doorbreekt de stilte en vraagt me:
‘Wil je me leren zwemmen?’
We duiken met z’n drieën het water in.
Na twintig minuten kan hij zwemmen.

gomaDeze column verscheen in De Standaard op 09/08/18 in de reeks Zomertijd

Je bent je leven

Sluit je ogen en beeld je in:
Je bent in een boekenwinkel. De muren zijn hier groen geverfd en er staan planten van zes meter hoog op de vensterbank. Je neemt een boek met een blauwe kaft. Je slaat het boek open en leest een quote van Sartre: You are your life – and nothing else. Je beseft dat je acties in je leven elke dag bepalen wie je bent, wie je wordt.

Je wandelt met het boek door de stad, je ziet bergen en je kijkt dankbaar naar een boom met rode bloemen. Je neemt een bus, je ruikt de zee en je zet een koptelefoon op. Je hoort nu opzwepende, oriëntaalse muziek. You are your life. Je zou een buitengewoon, sensationeel leven kunnen leiden. Jij bent de outsider, jij bent de uitzondering. Maar hoe?

Je denkt aan al die grijze dagen dat je je best doet voor een spectaculair leven, dat je er alles voor zou geven, maar dat de realiteit niet meer is dan Netflix, masturberen, katers, fitness, afwijzingen. Je wereld is te klein. Je lijf is klaar voor een tantrische transcendentie, een sacrale ervaring, een psychedelische trip, maar er gebeurt niets. Je vraagt je af of er nog andere hongerige lijven in de buurt zijn. Misschien kunnen zij iets in beweging brengen. Maar er klopt niemand op de deur, er is geen aanhang.

Je lijf is nu moe, je lijf doet pijn. Dus sta je toch maar weer op, je verlaat de bus. Je bent nu op een zandvlakte. Je ziet een hefboom, alsof je aan de grens staat naar een ander land, een andere wereld. De grenspost zou een fata morgana kunnen zijn, dat weet je niet, dat kun je ook nog niet weten.

You are your life, you are your life.

Je bedenkt dat er plaatsen zijn waar mensen klaarkomen als fonteinen, waar mensen zich wassen in een warmwaterbron, waar mensen zingen voor de walvissen. Er bestaat een woestijn in Australië waar de Aboriginals elke ochtend hun dromen voor elkaar uitbeelden. De hele dag worden er dromen gespeeld.

Je vraagt je af hoe jij je droom zou uitbeelden. Het idee komt als vanzelf. Je armen en benen maken zachte bewegingen in de zandvlakte. Wit zand dwarrelt in het rond, het glinstert in de zon.

En er is muziek. Je hoort gospels in de verte. Je wandelt, het gezang bepaalt je richting. Je staat nu oog in oog met een vrouw in een witte jurk die op een trommel slaat. Ze covert ‘Blackbird’ van Nina Simone. Jij hoort alleen het geluid van de trom, als een oergeluid.

You are your life, you are your life.

Open je ogen.

Je staat nog steeds in de zandvlakte en je vraagt je af waar je naartoe zult gaan. Je kijkt naar boven, naar een eindeloze sterrenhemel. Je beseft dat je geen richting hoeft te kiezen. Je lichaam weet wat te doen, hoe het zich in deze wereld moet bewegen. Je weet dat het juist zal zijn, altijd. En je denkt: ja, dit is vrijheid.

ulrich seidl 2

Ulrich Seidl, Hundstage 

Calmez-vous, madame

Ik ga deze zomer naar Rwanda. Ik verlang naar nieuwe aanknopingspunten. Ik verlang naar mensen die een andere wereld in zich dragen.

Behalve de behoefte aan een reis naar Afrika voel ik nog een veel dieper, intenser, allesomvattender verlangen om in mijn bed te blijven liggen. Voor eeuwig. Ik ben een bangerik. Ik ben bang voor een crash in de oceaan, een tseetseevlieg, een onvrijwillige gangbang enzovoort.

Ik moet doen waar ik bang van word. Dat heb ik met mezelf afgesproken in dit leven. Halleluja.

Ik zit in de wachtzaal van de Rwandese ambassade voor mijn toeristenvisum. Alles zal mislopen. Ik voel dat gewoon aan de sfeer die hier hangt. Iedereen steekt me bijvoorbeeld voorbij. Wat wil de mensheid hiermee communiceren? Mijn noodlot? ‘Wanneer is het nu eindelijk aan mij?’, roep ik semi-assertief.

Een vrouw met een baby op haar schoot zegt dat ze hier al drie uur aan het wachten is. Haar situatie lijkt complexer dan de mijne. Oké. Sorry.

Na drie intens lange minuten is het mijn beurt. De vrouw achter het loket wijst me op mijn verkeerde documenten. Mijn vliegticket en hotelboeking zijn in het Nederlands en dat moet blijkbaar in het Frans of in het Engels.

‘Kom maar een andere keer terug.’
‘Ik vertrek volgende week.’
‘Spijtig.’
‘Oké, goed, dan ga ik niet naar Rwanda.’

Ik spreek deze laatste zin uit als een dreigement. Het heeft niet veel effect. Het kan deze vrouw niets schelen of ik naar Rwanda vertrek of de rest van mijn leven in mijn bed spendeer.

Ik barst in tranen uit en nu schrikt ze. ‘Calmez-vous, madame.’ Haar collega, een vrouw in een lange, felblauwe jurk, komt me ophalen. Ze neemt mijn hand en opent een deur die toegang verleent tot de ruimte achter de loketten. Ik ben nu in een lounge vol witte, lederen zetels.

‘Pourquoi est-ce que vous pleurez, madame?’
‘J’ai peur.’
‘Pourquoi est-ce que vous avez peur?’
‘Ik ben bang dat ik het land niet binnen mag.’
‘Il ne faut pas avoir peur! Je zult het land binnen mogen en het zal fantastisch zijn. Rwanda is een mooi land met lieve mensen. Met wie ga je? Ga je iemand bezoeken?’
‘Nee, ik ben alleen.’ Mijn lip begint te trillen.
‘Waarom ga je dan naar Rwanda?’
‘Ik wil de wereld ontdekken.’ Ik stort in.
‘Mais madame, découvrir le monde, c’est magnifique!’

De vrouw zegt dat ze me zal helpen en dat mijn visum binnen enkele minuten in orde zal zijn. En ik vind dat normaal, dat is de service die ik verwacht. Ik ben een blanke vrouw, ik ben het gewend om meteen overal toegang toe te krijgen en als het niet lukt, stort ik in.

Ik stap naar buiten en ik denk aan al diegenen die noodgedwongen onderweg zijn naar een nieuwe wereld. Mensen die niet naar een witte, lederen zetel worden geleid. Mensen naar wie niet gekeken wordt als ze instorten. Mensen bij wie het waarschijnlijk lang geleden is dat iemand hen vroeg: ‘Pourquoi est-ce que vous avez peur?’

Ryan McGinley

Ryan McGinley

Deze column verscheen in De Standaard op 26/07/18 in de reeks Zomertijd

Zin

Ik voel een grote drang om me seksueel te bevrijden. Jammer genoeg gaat deze drang gepaard met een diepe angst voor soa’s. Het is nu mijn derde test van het jaar en we zijn nog maar juli.

Boodschap van algemeen nut:
Gebruik altijd een condoom. Heb er altijd een op zak.
Zelf gebruik ik ook bijna altijd een condoom.

De dokter probeert het medische profiel van mijn partner te achterhalen.
‘Hij is mijn partner niet.’
‘Wie is hij dan?’
‘Een onbekende.’

Je ligt een weekend lang samen in bed, je slaapt verstrengeld in zijn naakte lijf, je wast elkaar, maar als je hem de volgende morgen bij een café frappé vraagt of hij veilig is zegt hij dat er ‘weinig risico’ is. Weinig risico?

Oké. Het is zover. Ik ga dood. 

De dokter vraagt:
‘Heeft hij onbeschermd seks gehad met andere vrouwen?’
‘Waarschijnlijk.’
‘Met hoeveel vrouwen?’
’Ik weet het niet.’

Er volgt een ongecontroleerde huilbui. 

Ze zegt dat ik voorzichtiger moet zijn, dat als ik later kinderen wil, ik beter geen ziektes kan oplopen. Ze vraagt me niet of ik kinderen wil, ze zegt me dat ik kinderen wil en dat ik moet stoppen met al die wisselende contacten. Ze geeft me advies over hoe ik een vaste relatie kan bemachtigen. Ze zegt: ‘Als je een man leert kennen, moet je minimaal een maand wachten om met hem naar bed te gaan.’ 

Vrouwen die te snel seks hebben met een man, zijn niet te vertrouwen. Vrouwen moeten doen alsof ze pas na een maand zin hebben, misschien met een beetje tegenzin, zodat de man haar kan veroveren. Daar worden mannen geil van. Mannen hebben zin. De man kiest. De man verovert. 

Bij mij zit het zo: ik heb ook zin. En als ik zin heb, heb ik ook écht zin. Meer zelfs, dan communiceer ik dat. Dat doe ik zo: ik kleed hem uit, nog voor hij de woonkamer betreedt. Op de hoek van de straat heb ik zijn hemd al losgeknoopt omdat ik zoveel zin heb.

En ik heb geen zin om te doen alsof dat niet zo is. 

Inzicht: de meeste soa’s (De mééste! Best altijd een condoom gebruiken!) – genees je gewoon met een pil of een zalfje. Dus beste dokter, sta mij toe om – in al mijn geilheid – te genieten van zijn lijf, zijn speeksel en zijn zweet. Wie experimenteert gaat niet dood, wie experimenteert lééft. (Althans dat hoop ik toch. Rustig blijven ademen. Amen.)

Ik zit nu in mijn ondergoed op de dokterstafel. Ze trekt mijn bloed en zegt: ‘Ik snap niet dat je je zomaar aanbiedt aan al die mannen, je bent zo’n mooie, jonge vrouw.’ 

Ik zeg: ‘Ik bied me niet aan, ik verover.’

Sad Shower in New York 1995 by Tracey Emin born 1963

Tekening door Tracey Emin

Deze column verscheen in De Standaard op 19/07/18 in de reeks Zomertijd

Vergeet de woestijn

Ik lig naakt op mijn groene fauteuil, in mijn linkerhand een fles Absolut Vodka. Ik filosofeer wat over de liefde. Al bij al geloof ik er niet meer in. Ik moet minder drinken. 

Ik brand een kaars. Gewoon omdat het zaterdag is en ik nood heb aan een rituele actie en ik straks misschien ga bidden. 

We zaten vorige week op restaurant en je toonde me hoe ik een zeebaars moest fileren. Je kwam een beetje dichterbij, boog je over mijn bord en ik kon me voorstellen hoe het zou zijn als we zouden kussen. Ik verlangde naar je en jij verlangde naar de woestijn. Je zei: ‘al die jaren heb ik mijn leegte proberen opvullen door vrouwen, ik moet even alleen zijn.’ 

Zelf had ik gedacht aan een woud met watervallen, onze naakte lijven omringd door pauwen en een glas sherry. Maar goed, jij wil naar de droogte. Oké dan, de woestijn is ook goed. Ik kreeg later door dat ik niet pas in het concept van de woestijn. Jij hebt eerder behoefte aan een ontmoeting met kamelen die je wezenloos aanstaren en je zeggen dat je moederziel alleen bent.

Vergeet de woestijn. Ik denk dat we het iets dichterbij moeten zoeken. Mijn slaapkamer ligt hier bijvoorbeeld op 2,6 kilometer vandaan. Maar het was nog geen elf uur ’s avonds en jij wilde weg omdat je je driften niet meer achterna wil lopen.

Ik vind dat mannen bij een eerste tête-à-tête niet over woestijnen en driften moeten praten. Mannen moeten bij een eerste tête-à-tête een huwelijksaanzoek doen.

Ik neem nog een slok Absolut Vodka. 

Enkele weken geleden stuurde je me een sms’je of je bij me kon slapen. Ik las de sms pas de volgende dag, maar als ik wakker had geweest zou ik de deur hebben geopend. Naakt. Dat zeg ik er gewoon even bij. Vervolgens zou ik onze driften hebben uitgeleefd op hoog niveau.

Nu zitten we op restaurant en zeg ik dat we naar onze lichamen moeten luisteren. Jij zegt dat het een cliché is. Ik vind dat niet waar. Ons lichaam is veel slimmer dan alle theorieën die we hier over driften, de woestijn en zeebaarzen verkondigen. Jouw lichaam kiest ervoor om naar het station te wandelen, mijn lichaam sleept zich dan ook maar voort.

Ik zeg je dat ik moe ben. Ik heb al zoveel geprobeerd. Ik heb spelletjes gespeeld, ik heb oprechte liefdesverklaringen afgevuurd, ik heb gedaan alsof de liefde een grap was, en nu zeg ik je oprecht dat ik in de liefde geloof en neem jij de trein van 23u22 naar de woestijn.

Ik lig op mijn fauteuil. De kaars brandt nog steeds en straks zal ik op mijn knieën vallen. Dan zal ik bidden. Lieve Maria, zou de liefde eens kunnen komen aanwaaien? Liefst één van de komende dagen.  

frida woestijn

Deze column verscheen in De Standaard op 12/07/18 in de reeks Zomertijd

Brief aan S.

S. schreef me op 9 april 2018 een brief naar aanleiding van mijn theatervoorstelling: Is this porn? No, this is love.
Dit is het antwoord:

Beste S.,

Bedankt voor je lieve brief die me geïnspireerd heeft en ook confronterend was.
Je schrijft me over de liefde voor de avondlucht, de uilen en een boom.
Je schrijft: all is full of love!
Maar dan schrijf je me over de romantische liefde.
Dat ik me misschien vergis, dat ik – hoe ik over de liefde schrijf – me te erg fixeer op die éne. Dat de liefde niet één persoon toekomt.

Ik heb die romantische liefde, die ultieme liefde inderdaad nog niet gevonden.
In de plaats daarvan heb ik een Parijse minnaar, organiseer ik trio’s, stuur ik een naaktfoto naar een onbekende barman, kortom: organiseer ik mijn intieme leven.
Soms vind ik dat hilarisch, soms diep tragisch. 

Jij schrijft me dat jij de romantische liefde wél hebt gevonden.
Jouw brief gaat dus over iets wat jij hebt en ik niet.
Misschien doe jij iets wat ik niet kan?
Je blijft herhalen dat ik me niet te veel mag focussen op die éne grote liefde,
en dat als ik hem zou vinden het waarschijnlijk toch zal mislopen
dat ik hem zou overspoelen door mijn waterval aan verlangens en dat hij dan weg zou gaan en ik weer therapieën moet organiseren om mezelf te troosten.

Het valt me op dat als vrouwen over hun verlangens praten ze vaak worden afgedaan als te veel, dat ze zichzelf wat moeten kalmeren, dat ze naar de uilen moeten luisteren. En dat als ze teleurgesteld zijn in de liefde, het hun eigen schuld is, dat ze maar rustiger hadden moeten zijn.

Wat is er mis met een vrouw die verlangt? Is ze lelijk? Is ze wanhopig? Is ze zielig? Is ze eenzaam? Is ze bedreigend? Is ze gevaarlijk? 

Chris Kraus schrijft in haar boek I love Dick dat verlangen niet voortkomt uit een leegte, maar uit een te veel. Een claustrofobie in eigen lichaam. Zo voelt mijn verlangen ook, als een te veel. Als iets dat ik uit mijn lichaam wil schreeuwen, als iets dat soms pijn doet, omdat ik vind dat er te weinig weerklank is. 

Jij floreert in je brief over wat jij hebt gevonden en ik niet. Misschien wil je me inspireren. Maar feit blijft: ik heb geen geliefde en jij wel. Misschien was jouw brief betekenisvoller voor me geweest als je me had warm gemaakt en me daarna had uitgenodigd in een bos waar we samen naar die uil hadden kunnen luisteren. Maar dat kan dus niet.

Er wordt vaak tegen mensen die op zoek gaan naar de liefde gezegd dat ze kalm moeten blijven, dat ze eerst alleen moeten zijn, dat ze van zichzelf moeten leren houden. Ze moeten eigenlijk heel veel om hun verlangen te doorstaan. 

Ik denk dat we dat verlangen niet moeten doorstaan. Ik denk dat we ons verlangen mogen vieren. De vraag is alleen: hoe?

Jij doet enkele suggesties in je brief. Je raadt me een liefde aan als een voorzichtig beekje dat stilaan groeit en zich langzaam maar zeker in het landschap snijdt. Breder en dieper en dieper en dieper. Je vindt dat de mannen die ik beschrijf in mijn werk overkomen als zomerse stortregens. Ik citeer je: ‘En die doen zoiets niet. Die zetten kort alles onder water, zorgen ervoor dat de geuren even intens opflitsen en ondanks dat het heerlijk kan zijn om met open armen naar buiten te lopen en zonder regenjas de regen in te duiken is voor je het beseft alles weer verdampt en opgedroogd. En misschien is die intense stortbui alleen maar daardoor zo heerlijk. Omdat je weet dat het voorbij zal gaan, drunk on love!’

Lieve S., dan komt er nu een bekentenis is. Ik lag vorige week met een man in bed, ik was echter zo dronken dat ik oprecht niet weet of zijn arm over me heen lag of ik die gedroomd heb. Kunnen mensen een gewicht op hun lichaam verzinnen? Een schim voelen? In ieder geval, vond ik de man naast me geen mislukkeling, misschien dat ik er daarom niet aan ben begonnen. 

Mijn voorstelling gaat dus over een vrouw die verlangt naar liefhebben maar daar om de één of andere reden niet in slaagt. We zullen even in het midden laten of ik de vrouw zelf ben. Misschien heb ik haar verzonnen. Ik hoop het. 

Hoewel er misschien weinig vragen staan in deze brief, kijk ik uit naar je antwoord. Als je het goed vindt, zet ik deze ook op mijn blog. Ik hou ervan als mijn leven mijn werk beïnvloedt, en omgekeerd.

dikke kus, 

Julie

Ryan McGinley

Ryan Mcginley, youth laid bare