Ambities (Deel I/III)

Ik had gehoopt dat de menselijke natuur als volgt in elkaar zou zitten: ik presteer, ik voel voldoening. Dat lijkt mij een rechtvaardige dynamiek in het menselijke brein. Bij mij zit het zo: ik presteer, ik wil meer, ik wil nog meer, ik krijg niets meer, ik voel mij leeg. Ik vind dat een verwarrende dynamiek, waar ik graag grip op zou proberen krijgen. Verwarringen analyseren doet groeien. Zodoende volgen hier de ervaringen van een wispelturige*, 28-jarige vrouw die totaal verward is door haar eigen drijfveren, ambities en overtuigingen.

* Persoonlijk vind ik ‘wispelturig’ een heel mooi eufemisme voor ‘labiel’.

Vluchtwegen
Het is midden juni en ik sta op het punt om af te studeren als regisseur aan de Toneelacademie Maastricht. Mijn dure afstudeerjurk hangt gestreken aan een kapstok en ik lig teneergeslagen in bed. Binnen enkele dagen word ik verwacht op de diploma-uitreiking maar ik heb alleen maar zin om me te pletter zuipen, te janken, te dansen in een foute discotheek of te mediteren in de Kalmthoutse heide. Omdat ik deze activiteiten op zich heel maatschappelijk aanvaardbare vluchtwegen vind, besluit ik ze allemaal, in bovengenoemde volgorde te volbrengen.

De reden dat ik weerstand voel tot die diploma-uitreiking is omdat mijn klasgenoten mij levend kunnen villen sinds de dag dat ik niet kwam opdagen bij mijn eigen theatervoorstelling op het afstudeerfestival te Maastricht. Zelf vond ik het een lumineus idee: ambitieuze regisseur crasht door haar eigen ambities, ze kan niet meer bewegen door een nekblokkade, ze beslist te blijven liggen en vanuit haar bed spreekt ze het publiek via een videoboodschap toe (even een momentje van reclame: https://www.youtube.com/watch?v=wO_3W46yQqU). Ze geeft toe dat de twijfels over haar mogelijk succes haar verlammen. Ze is in de war over haar werkelijke drijfveren en vraagt zich af waarom ze doet wat ze doet en voor wie.

Door de ambities van anderen in vraag te stellen wilde ik mijn eigen ambities waarmaken: namelijk succes boeken met mijn stunt. Ja, de gedachte “misschien kan deze videoboodschap wel een hitje worden” kwam vaker in mij op dan het ware engagement in deze prestatiemaatschappij. Mijn boodschap kreeg niet het gewenste effect. Mijn klasgenoten voelden zich in de steek gelaten, de meeste docenten negeerden me botweg en ik kreeg maar 400 hitjes op Youtube. Hierdoor vergat ik mijn oorspronkelijke doel: te hoge ambities in vraag stellen. Het leek wel of niemand echt geïnspireerd werd door mijn pseudo-geëngageerde stunt. Nu ik erop terugblik bedenk ik me net dat al die potentiële werkgevers, misschien wel mijn belangrijkste doelpubliek, ook niet echt onder de indruk waren van mijn statement. Ik zie ze in ieder geval nog altijd niet met een contract zwaaien. Doel gemist dus.

Gebrek aan beloftes
Gelukkig kregen mijn klas en ik eind juni toch weer een samenhorigheidsgevoel, met veel dank aan de jury van de Ton Lutz Award 2015. De Ton Lutz Award is een prijs ter waarde van 5000 euro die jaarlijks wordt uitgereikt te Amsterdam aan de beste afstudeerregie. Mijn afstudeerregie was ook opgenomen in de wedstrijd, aangezien ik na de videoboodschap weer de moed had om op te staan en een voorstelling te maken, getiteld ‘Het wisselvallige leven’ (werktitel).

De Nederlandse krant NRC schreef over deze prijs op 25 juni 2015:

“De jury van de Ton Lutzprijs voor de beste afstudeerregie heeft gisteravond geweigerd de prijs toe te kennen. Op de slotavond van het ITs-festival voor afstuderende podiumkunstenaars stelde de jury dat niet een van de acht meedingende voorstellingen genoeg kwaliteit bezat om te worden bekroond. In alle voorstellingen miste de jury consistentie, eigenzinnigheid en noodzaak.”

Uiteraard kwam er protest uit de zaal gewaaid, de voormalige directeur van de Toneelschool Maastricht, Leo Swinkels, merkte terecht op dat deze prijs gaat om een ‘belofte’. Hierop reageerde jurylid Gerardjan Rijnders dat dat niet waar was, en dat er bovendien ook geen belofte was gesignaleerd.

Toegegeven, het is een heel origineel concept, wie zou het eigenlijk bedacht hebben? Zou er werkelijk iemand zijn opgestaan met het idee: “hey, we organiseren een wedstrijd voor afgestudeerde regisseurs! De regisseurs in kwestie moeten zich niet inschrijven voor de wedstrijd, dit gebeurt automatisch als ze in hun laatste jaar terecht komen. Vervolgens organiseren we een prijsuitreiking voor deze wedstrijd waar ze dus ongewild in terecht zijn gekomen, maar dan met alles erop en eraan! Omdat dit alles heel veel geld zal kosten, vragen we het jonge talent in kwestie om zelf hun inkomkaartje te betalen in plaats van ze uit te nodigen. En als ze daar dan eenmaal bang en zenuwachtig op hun stoeltje zitten wachten, zullen we hen publiekelijk vernederen door hen te verwijten dat ze zelfs geen belofte zijn.” Ik vind: als je met zo’n idee opstaat, kan je beter blijven liggen.

Noodzaak
Maar goed, ik ga niet ontkennen dat het geen pijn deed. Ik had bij het afstuderen een duwtje in de rug verwacht, maar kreeg een extra drijfveer om in bed te blijven liggen. Mensen die meer schouderklopjes verwachten dan ze krijgen, nemen het risico bedlegerig te worden. In mijn bed mijmerde ik over de niet uitgereikte prijs en begon ik op een obsessieve manier elke recensie over mijn voorstelling of wat er mogelijk over mij geschreven zou kunnen zijn op het wereldwijde web te lezen. Ik vergat nogmaals mijn team (mijn acteurs, coach, productie,…) dat zo hard aan mijn droom had meegewerkt en belde in de plaats al jammerend vage kennissen op. Meningen van mensen waar ik in het dagelijkse leven geen waarde aan hechtte werden plots het centrum van mijn bestaan. “Jij denkt toch wel dat ik goed genoeg ben hé?” Bevestigingsdwang en zelfmedelijden namen de overhand, het was een put die niemand kon vullen, de leegte zat in mij.

Ja, ik geef het toe: ik wil schitteren. En dat klinkt banaler dan het in werkelijkheid is. Het probleem van een vurig verlangen tot schittering is dat je jezelf vaak in een beperkt creatieve positie plaatst. Wie in een concurrerend klimaat wil presteren wordt jaloers en leidt aan stress. Dat is een erg jammerlijke dynamiek om telkens opnieuw bij anderen en vooral ook bij jezelf vast te stellen. Het levert geen eigenzinnig werk op. De uitdaging zit dus in het verwerven van een positie waardoor je vertrouwen in eigen kunnen verwerft en de ander zijn licht gunt.

Ik kwam dus in mijn bed tot inkeer. Ik belde mijn coach, en tevens goede vriendin, Ellen Schoenaerts en vroeg haar alvast een beetje beschaamd: “Mijn lief vindt me egocentrisch, vind jij dat ook?” “Ja, je zit in een egotrip” antwoordde ze. “Maar dat is niet erg, je bent aan het groeien.” Ze zei: “Focus op je werk en probeer geconcentreerd te zijn op het echte leven. Met een open blik, los van elk mogelijk klein wereldje.” Ik dank haar bij deze voor haar geduld en haar confronterende doch vervelende strengheid en de suggestie om op zoek te gaan naar de kern van de zaak.

Levensinzicht 1
Wie zich te hard focust op non-events neemt het risico om te veranderen in een in zelfmedelijden vervallen narcistisch, ijdele strever die alleen met eigen schittering bezig is.*

*We laten in het midden of ik hier een goed voorbeeld van ben. Ik vind dat er al genoeg kwaadsprekerij over mezelf heerst in deze column.

Levensinzicht 2
Het volgende inzicht richt ik graag tot de jury van de Ton Lutz Award 2015. Wat zou die arme Ton er eigenlijk allemaal van vinden? Ik hoop maar dat er later nooit een prijs naar mij vernoemd wordt. Maar goed, dit is mijn mededeling:

Beste jury, u verwijt de jonge garde dat er een gebrek aan ‘noodzaak’ is. Noodzaak is in deze context een vaag begrip. Iemand die een voorstelling maakt, een tand trekt, een gebouw tekent of een vuilzak op de kar gooit doet dat omdat hij daar blijkbaar een noodzaak voor voelt. Je kan nooit iemand verwijten ‘jij hebt dat gedaan zonder noodzaak!’ Dat is onbeleefd, omdat je dan het bestaansrecht van de actie afneemt. Schopenhauer zei het ook al: Iets is noodzakelijk, simpelweg omdat het bestaat. Wat niet noodzakelijk is, bestaat niet.

Noodzaak zit niet in het werk, noodzaak zit in het leven. Los van of het goed of slecht gedaan wordt. Ik ga ervan uit dat iedereen die in leven is, een zekere noodzaak ervaart om in het leven te staan. Of te liggen. Dat kan ook. En daar heb ik ook alle begrip voor. Dat een mens zo nu en dan eens blijft liggen.

De troost is dat een noodzaak simpelweg niet kan ontbreken, noodzaak is juist onze basisdrijfveer, en die kan niemand ons afnemen, omdat wij ademen. Ja, wij blijven ademen.

Opstaan

Maar er is ook een gelijkenis tussen de jury en ik. We hebben er allebei voor gekozen om iets niet te doen. Ik stond niet op, zij weigerden een prijs te geven. Ik moet dus wel toegeven (en in dat opzicht vind ik mezelf al bij al toch een sportieve verliezer) dat het ook een krachtig statement was. Wat nog krachtiger zou geweest zijn, is als de jury nog een stap verder had gegaan, en had nagedacht over een inspirerend alternatief voor de prijs. Het organiseren van een prijsuitreiking om vervolgens geen prijs uit te reiken, is simpelweg zinloos. Bij een coureurswedstrijd zegt de jury toch ook niet: we organiseren een koers, maar na afloop van de koers, als iedereen uitgeput is neergestreken, beslissen we om de prijs niet uit te reiken want we vinden toch dat de eerste iets te traag is gearriveerd.

Bovendien dient de jury – en eigenlijk elke sector in het algemeen –  ook te weten dat eigenzinnig werk alleen kan groeien in een veilige omgeving, weg van strijd en competitie.

Het is allemaal logisch, en misschien ook waar. En misschien ontstaat er door dit alles wel iets nieuws. Nieuwe vormen, nieuwe stijlen, nieuwe structuren. Een nieuw klimaat waarin we onze persoonlijke drijfveren kunnen stimuleren, en elkaar het licht gunnen.

Wat ook waar is, is dat mensen die bedlegerig worden door de weerstand die hun ambities kruist vroeg of laat toch moeten opstaan. Ja, dat ga ik proberen, ik ga ergens voor staan. En ik hoop dat ik er deze keer iets meer zen in kan zijn. Een beetje meer zen… Dat zou leuk zijn, ja.

I <3 Amsterdam

Het gps-systeem op mijn smartphone vertelde me dat het vanuit centraal station een half uurtje fietsen was naar mijn nieuwe logeeradres, ergens aan de Eastonstraat in Osdorp.* Ik was nog maar drie minuten onderweg en werd al aangereden door een meisje van ongeveer mijn leeftijd. Ze had zwarte krullen en zag er gelukkiger uit dan ik. Het accident had iets vreemd, ik sloeg midden op een kruispunt plots in paniek door het snelle verkeer en kwam tot totale stilstand. Zij begon gelukkig op tijd te remmen (een vaardigheid die ik nog mis in het leven), waardoor de aanrijding toch iets zacht kreeg. Ik excuseerde me uitvoerig, maar zij zei: ‘Och ja, kan gebeuren.’

En dat is volkomen waar. Er kan zoveel gebeuren. Er kan gebeuren dat je op weg bent naar Osdorp, er kan gebeuren dat je nog denkt aan een afscheidsbrief die je net bij je ex-geliefde achterliet, en dat je dan denkt aan zijn reservesleutel die nu terug op de houten tafel ligt. Ja, ja het leven zit vol gebeurtenissen. Ik vroeg me af hoe ze zou reageren als ik haar naar aanleiding van deze aanrijding zou vragen om vriendinnen te worden. Gewoon om enkele persoonlijke gebeurtenissen des leven te overlopen. Dan zou ik haar kunnen vragen of ze dat gevoel ook heeft, dat je echt alles zou willen geven om thuis in bed te blijven liggen in plaats van hier te staan onder de lentezon op de Rozengracht.

Illustratie: Anouk Vercouter

Illustratie: Anouk Vercouter

Ik was in Amsterdam voor mijn werk. Wie iets in het theater wil betekenen moet op tijd en stond een paar weken in Amsterdam zijn. Helaas waren mijn middelen tijdens deze carrièretocht van beperkte aard. Op mijn vouwfiets was ik onderweg naar mijn zoveelste logeeradres, dolend door een onbekende stad, waar ik niemand echt ken. Gelukkig werd ik vergezeld door mijn vaste reiscompagnons: mijn laptop-tas (over mijn schouder), een paar plastic zakken volgepropt met kleren (verdeeld over het stuur), een rugzak (over mijn andere schouder, om het gewicht wat te verdelen) en een smartphone (in mijn linkerhand, om het GPS-systeem te volgen). Ik was niet echt overtuigd door deze constructie, maar wie voor zijn dromen wil gaan, moet niet te veel stilstaan en doortrappen.

De Eastonstraat bleek geen straat te zijn, maar een flatgebouw op een domein waar geen satelliet-, of eender welk signaal ontvangen werd. Na een anderhalf uur tevergeefs zoeken naar mijn reisdoel kreeg de rit zo’n wanhopige dimensie dat ik wederom werd gedwongen tot totale stilstand. Heel mijn lijf kreunde onder het gewicht dat ik al een veel te lange tijd met me mee droeg. ‘Gaan en blijven gaan!’ hoor ik iedereen schreeuwen. Alleen jammer dat ik niet meer kan bewegen.

Bij deze stilstand verloor ik de totale controle over mijn emoties. Ik voelde me gedesoriënteerd en had pijn in mijn nek. Toch wel spijtig dat mijn coördinatie totaal niet is ingesteld op mijn ambities. Ik gooide al de tassen van mijn fiets, ging in het gras liggen en keek door mijn tranen heen naar een onverschillige voorbijganger, die op zijn beurt weer de zoveelste gebeurtenis in zijn leven overschouwde: een huilend meisje in het gras. ‘Och ja, kan gebeuren’, moest hij gedacht hebben.

Twee uur later kwam ik op mijn logeeradres aan en werd ik warm ontvangen door een vrouw die Pippa heette. Ze ging een paar dagen naar Parijs en ik mocht haar kamer onderhuren voor een schappelijke prijs. Ze woonde in een gigantisch flatgebouw. Ik hou niet van gigantische flatgebouwen. Het heeft iets mistroostig, al die proberende mensen opgepropt in een blok in Osdorp. Hokjes vol eenzaamheid. Maar ik vond Pippa lief en vroeg me af of ik met haar wel de gebeurtenissen des leven zou kunnen overlopen. Ik besloot te zwijgen. Mensen verkiezen stabiele huurders. Mensen verkiezen stabiele mensen.

Pippa legde de reservesleutel op de houten tafel en gaf de richtlijnen voor het appartement. Haar uitleg werd verstoord door luid geschreeuw dat boven ons klonk. ‘Kanker, kanker, kankerhoer!’ hoorde ik iemand brullen. ‘Wat gebeurt hier boven ons?’ vroeg ik haar ongerust. Pippa antwoordde glimlachend dat de bovenbuurman aan Gilles de la Tourette leed. ‘Och, ja kan gebeuren’, zei ik quasi ontspannend met een verkrampt glimlachje.

En nu lig ik hier in een veel te groot bed, in een veel te groot flatgebouw, in een veel te grote stad. Ik voel me als een klein meisje dat verplicht op scoutkamp zit, alleen op haar veldbedje, verlangend naar een slaapliedje dat me vertelt dat het nu eenmaal zo gaat, dat de dingen zo lopen, dat het allemaal kan gebeuren. Helaas hoor ik hier een ander slaapliedje, overtuigd en zeer ingeleefd gebracht door mijn tijdelijke bovenbuurman. Op de achtergrond klinkt zijn gezang: Wat een klote, klote, klote wereld.

*Osdorp is een bestemming bij Amsterdam waar ik liever niet dieper op wens in te gaan. (Als ik deze buurt beschrijf, is de kans op een zenuwinzinking te groot, met dank voor uw begrip)

ON THE ROAD

Vandaag beslis ik om mijn leven om te gooien. Ik trek een oude jeans aan, witte basketters en behalve tien Euro neem ik niets mee. Ik begin gewoon te wandelen en zie wel waar ik uitkom. Een beetje als Jack Kerouac, maar dan te voet.

Langs de polders van het pittoreske stadje Lier overpeins ik de gebeurtenissen en zielenroerselen van de laatste periode. Nog steeds geen rijbewijs, nog steeds financieel afhankelijk van mijn vader en nog steeds geen discipline om ‘s morgens havermout te eten. In het algemeen: geen gestructureerd leven dus. Verder nog een haat/liefde verhouding met wat ik doe: comedy (ik ben er misschien te melancholisch voor) en dan ook nog een onbevredigend liefdesleven: ik probeer krampachtig verliefd te worden op mannen waarvan ik denk dat ze mij een ideaal en comfortabel leven zullen bieden (stabiel, rustig en met werk*) maar hou intens van mannen met een ander profiel (manisch, getrouwd en verstoord). Al deze feiten worden dan nog eens gedragen door een verwarde, hypersensitieve geest.

*liefst ook met auto.

Het zal jullie dus niet verbazen dat ik me tijdens deze natuurwandeling bedacht dat ik maar eens actie moest ondernemen. Ik zou een blokhut in één van de velden kunnen bouwen, maar jammer genoeg heb ik hiervoor niet de juiste vaardigheden meegekregen van Moeder Natuur (extreem onhandig + slechte motoriek). Bovendien betwijfel ik of dat mijn leven in afzondering wel zou slagen. Ik beweer al jaren dat ik binnenkort alleen naar Cambodja zal reizen, stoer en onafhankelijk, maar dan denk ik: ik alleen op de foto voor een tempel, ik alleen in een toeristisch vissersbootje, ik alleen in meditatiehouding voor een Boeddhabeeld, ik alleen met een zenuwinzinking in een Aziatisch hospitaal: nee, danku. Alleen in een bos gaan wonen is dus geen optie.

De vraag tijdens deze wandeling blijft dus: hoe orden ik mijn bestaan in deze kosmos? Jullie zien natuurlijk al lang wat de enige constructieve oplossing voor dit vraagstuk is (ja, ik geef toe, ik had er een wandeling van twaalf kilometer voor nodig en jullie zien het al van ver aankomen.) Iedereen weet: als je het even niet meer ziet zitten, als je in de war bent over je rol in de samenleving, als je behoefte hebt aan een maatschappelijk kader is er maar één antwoord: T-interim.

Hoopvol en enthousiast wandel ik het T-interimkantoor op de Antwerpsestraat te Lier binnen en begroet de drie medewerkers achter hun bureau hartelijk. ‘HALLO!’ Ik voel me als een zonnetje in een Scandinavische winter. De medewerkers gedragen zich echter als verwelkte plantjes die de Scandinavische winter nog net hebben overleefd. Minachtend staren ze mij aan en vragen in koor: ‘ja?’ (hun subtekst klinkt als: ‘waarom bestaat u?’). Ik besluit om mijn ijver nog niet te laten varen en kondig hen aan dat ik een vraag heb. De drie medewerkers slaken een diepe zucht, deze keer niet in koor, maar één voor één, en steeds dieper en dieper, als drie fagotten in een zwaarmoedige crescendo. Na het dieptepunt van deze muzikale interlude hoor ik vanuit een onbepaalde hoek in het kantoor lijdzaam gekreun als: ‘oké, stel uw vraag maar.’

Omdat ik, ondanks alles, toch nog een basis van waarde en trots bezit, leek het me gênant om voor het hele kantoor te bekennen dat ik na acht jaar studeren, filosoferen en schrijven nog steeds niet in staat ben om een onafhankelijk en winstgevend leven te lijden. Beleefd vraag ik dus of dat ik eventueel-enigszins-als-het-niet-stoort-als-het-u-belieft-PLEASE aan één van de desks zou mogen plaatsnemen?

Dat mocht.

De heer in kwestie raadt me aan om een formulier in te vullen. Begeesterd probeer ik hem uit te leggen dat ik vanmorgen impulsief ben opgestaan en zonder enige bezitting ben beginnen wandelen. Ik hoop op een reactie als ‘wat moedig’ of ‘wat origineel’, maar het blijft stil. Ik vraag hem of dat het problematisch is voor de procedure dat ik mijn portefeuille en bijbehorende documenten niet bij me heb? Hij antwoordt ‘als u de gegevens op uw identiteitskaart vanbuiten kent, is dat geen probleem.’ Tot zover het inspirerende antwoord van dit heerschap.

Totaal uitgeput plof ik neer op het terras van café Falstaff en bestel een latte macchiato. Conclusie: mijn wandeling heeft een upgrade nodig. Volgende week ga ik als een echte vrouwelijke Jack Kerouac liften. Zonder lief, zonder werk en zonder geld zal ik met een kartonnen bordje aan de donkere snelweg staan, onderweg naar één of ander veld in Frankrijk. En waarschijnlijk zal het dan regenen, en zal ik weemoedig worden van alle gelukkige mensen met een rijbewijs in een lekker warme auto, op weg naar een blitse bestemming. Krantenkop: ‘mislukte avonturier op pechstrook verlangt naar rijkelijke hotelsuite.’ Maar ik weet óók dat als ik dan uiteindelijk doorweekt in dat veld sta, de meest vredige gedachte ooit in mij zal opkomen: ik ben een loser, net zoals iedereen. Het komt er gewoon op aan mijn loserschap zo waardig mogelijk te dragen. Lang leve de totale overgave tot ons onvermogen.

A la recherche du temps romantique

Ik ben iemand die liever ‘ja’ dan ‘nee’ zegt.

‘Ja’ is gewoon meegaan, jezelf laten versieren, jezelf laten leiden zonder na te denken, jezelf laten verscheuren. ‘Nee’ is discipline, kritisch zijn, grenzen stellen, niet te snel tevreden zijn, jezelf het beste gunnen.

Maar wanneer ik naar mijn date kijk die voorzichtig van zijn Duvel nipt in een veel te klein Antwerps café, vrees ik dat het vanavond toch op een ‘nee’ zal uitdraaien. Die ‘nee’ zal dan uiteraard niet van mijn kant komen. Want dat is wat er gebeurt: als ik ‘nee’ denk vind ik dat zo’n triest, eenzaam en onromantisch gegeven dat ik tot alles in staat ben voor een positieve wending van het verhaal. Mijn verlangen naar verbinding is zo groot, dat ik hartstochtelijk de tussenweg bewandel.

Dus ondanks weerzin, vermoeidheid en teleurstelling in de man in kwestie zal ik blijven drinken, blijven praten, blijven proberen tot we over een onderwerp precies hetzelfde denken, elkaar een lachje van herkenning schenken en onszelf kunnen wijsmaken dat dit hét is, elkaar compleet verdoofd uitkleden en vervolgens ons oude leven (met een extra desillusie) weer kunnen opnemen. In psychologische termen noemen ze dit verschijnsel ‘destructief gedrag.’

Het motief van de date in kwestie is vaag aangezien hij me na twee Duvels bekent dat hij smoorverliefd is op een Noors meisje dat hem na enkele weken vertier en plezier zonder verklaring heeft gedumpt. Hij was speciaal voor haar als verrassing op Oudejaarsdag naar Oslo gevlogen, waar ze samen zouden klinken op hun liefde voor het nieuwe jaar. In plaats van haar prachtige verschijning kreeg hij een smsje: ‘sorry, ik hou niet van verrassingen en ps: ik wil niet meer.’ Het nieuwe jaar bracht hij door in een tweederangs suite (al de andere kamers waren volzet) in plaats van een houten hutje aan een prachtig meer.

De man tegenover mij is dus geen bereidwillige tijger, maar een gekwetst vogeltje. De kansen naar een ‘ja’ dalen exponentieel, maar genegen zet ik mijn gezicht op ‘empatisch luistervermogen’ en lach er teder en begripvol bij. Dit ziet hij als een teken om al zijn liefdesverdriet over mij heen te storten. Mijn blik dwaalt af naar een man met bruin golvend haar aan de bar. Ik vraag me af ‘wat als ik nu het lef heb om op te staan, om ‘nee’ te zeggen en om naast een nieuwe vreemde plaats te nemen?’ Maar ik zwijg, ik luister vol mededogen, ik mag niet opgeven. Ik ben zijn troost.

Het gekwetste vogeltje probeert in de lucht te blijven door gal te spuwen over het Noorse meisje. Hij maakt zich druk en gedraagt zich als een slachtoffer. Hij vindt het onrechtvaardig dat hij zonder pardon op het stort is gezet. Hij beweert dat mensen zich aan morele codes moeten houden, mensen zijn elkaar verplicht om elkaar op een ethische manier te dumpen.

Nu is het mijn beurt, ik moet de boel hier opfleuren dus grijp ik naar spirituele waarheden. Ik zeg hem dat we op het gebied van de liefde allemaal prutsers zijn, dat we allemaal maar iets proberen, en dat er veel theorieën zijn, maar dat er alleen de praktijk is die ons rest, en dat we daarom liefdevol moeten proberen zijn, zodat we de ander in al zijn onhandigheden en gebrekkigheden kunnen begrijpen. Mijn date fronst en reageert verwonderd: ‘kies jij nu de kant van dat Noorse meisje?’ Ik zeg: ‘er is toch geen waarheid, het enige dat je kan doen is je gedachten zo manipuleren dat je er gelukkig van wordt.’ Hij kijkt naar mij alsof ik een mislukt verlichte meditatieve trut ben die elke avond Zuci thee drinkt en haar kinderen later Ulania en Aenghus zal noemen en neemt nog een slok van zijn Duvel.

Hij zegt dat ik een gebrek aan ego heb, dat ik over me heen laat lopen, als ik zo denk. Er is werkelijk niets in zijn visie dat me aanspreekt. Maar gelukkig ben ik gewillig. En gelukkig overwintert mijn verlangen zelfs de kilste vorst. En gelukkig ben ik tot alles bereid, als ik maar even kan versmelten.

Dus laat ons zwijgen, laat ons vergeten, laat ons verder dolen, laten we elkaar troosten, laten we elkaar vannacht trakteren op bier en verdriet. Ik zal u niet meer berispen, ik zal niet meer slaan, ik zal zalven, ik zal u naar de mond praten, straf mij, ik zal niet meer rebelleren, ik zal knikken en gehoorzamen, ik zal me uitkleden, ik doe alles voor een mooi verhaal, ik doe alles voor een ‘ja.’ Dus buig ik mijn hoofd naar u zodat ik u kan kussen, zodat we deze rampzalige nacht zo snel mogelijk in ons archief kunnen klasseren, zodat we ons eindelijk kunnen ontspannen op deze vermoeiende, complexe wereldbol.

Ik leg mijn hand zo teder mogelijk op zijn wang. Hij kijkt mij aan: ‘sorry, Julie, ik denk dat ik hier nog niet klaar voor ben’ en loopt kritisch en gedisciplineerd naar zijn eigen bed.

En ik, ik wandel met een gebroken poot en een gescheurde vleugel de volgende kroeg weer in.

*****De man in kwestie schreef ons verhaal vanuit zijn perspectief, lees zijn schrijfsels op https://juliecafmeyer.wordpress.com/2014/01/22/a-la-recherche-du-temps-romantique-2/. Het is heel mooi.

Notitiebriefje dat ik op een zonnige herfstdag aan mijn huisgenoot schreef en op de keukentafel liet liggen

Hoi Sandra,

Sorry dat de afwas er nog (steeds) staat. Ik weet dat ik je deze ochtend had beloofd om niet naar België te vertrekken zonder alles op te ruimen. En nu ben ik dus volstrekt het tegenovergestelde van plan. Sorry, ik voel me er ook niet goed bij, maar het ging niet. Ik denk dat ik ziek aan het worden ben. Ik bedoel dan fysiek ziek. Waarschijnlijk het begin van een amandelontsteking. Ik dacht, ik zeg er maar bij dat het fysiek is. Naar het schijnt hebben mensen die mentaal ziek zijn ook niet meer de fut om af te wassen. Ze komen hun bed zelfs niet meer uit. En daardoor worden die mensen nog depressiever. Mijn moeder zegt dat het een vicieuze cirkel is: eerst word je depressief, dan word je werkloos, en daarna word je nog depressiever omdat je te veel tijd krijgt om na te denken.

Stel je eens voor, Sandra, een leven lang in de afleiding. Het leven als een jolige excursie. Wij met z’n allen in een gele hippie bus, die maar blijft doorrijden langs magische bossen, all-in hotels en recreatieparken. Terwijl ik soms denk: laat ons toch met z’n allen schuilen in een miezerig, betonnen tussenstation. En elkaar daar vastpakken.

Maar even terug naar de kern. Het zou kunnen dat je wat koffievlekken op de keukenvloer (en op het plafond) opmerkt. De Italiaanse koffiekan was zo heet dat hij plots uit mijn handen glipte. In een mum van tijd transformeerde onze keuken in een Douwe Egberts fabriek met een emotional breakdown. Ik was zo woedend op die koffiepot dat ik hem uit het raam heb gezwierd. Sorry, ik weet dat hij veel voor jou betekende (en dat ik mijn emoties beter moet leren controleren). Het was je mooiste herinnering uit die romantische reis in Verona, maar probeer te denken aan dat tussenstation, Sandra. Italiaanse plezierreisjes worden overschat. Stilstaan bij een bushalte op een regenachtige zondag in één of ander vergeten West-Vlaams dorpje. En wachten, wachten, wachten op iets of iemand die je meeneemt. En daar weemoedig bij glimlachen. En dán iemand die teruglacht. Dat is pas genieten.

Ik voelde me zo schuldig over die koffiepot dat ik een half uur onder de ijskoude douche ben gaan staan. Daarna ben ik naakt op bed gaan liggen. Ik verlangde naar rust. De lucht die mijn lijf droogt. Kijken naar elk druppeltje dat langzaam verdampt. Even niks. Ik heb het welgeteld drie minuten volgehouden. De afleiding is een verslaving.

Heb jij soms ook het gevoel dat je op iets wacht waarvan je niet weet wat het juist is, Sandra? A la recherche du temps perdu. Ik vond het zo mooi dat je dat zei… Dat er zoveel gebeurt als er niets gebeurt.

Sorry voor de rommel.

Liefs,

Julie

Nieuw samengesteld gezin

Mijn moeder staat zenuwachtig sla te zwieren. Marc doet alsof hij alles onder controle heeft maar heeft zeker al 102 gaatjes in z’n vingers geprikt met een tandenstoker. Vanavond is de avond dat we voor het eerst allemaal samen zijn. Vanavond is het uur van de waarheid.

LEDEN VAN HET NIEUW SAMENGESTELD GEZIN:
Marc en Nathalie (oprichters)
Julie, Oscar en Josephine Cafmeyer (kinderen van Nathalie. Roepnamen: Julia, Ossi en Joske)
Astrid Cafmeyer (halfzus van Julie, Oscar en Josephine. Roepnaam: de Strikke)
Kristof Van Humskerken (lief van Josephine. Roepnaam: den Hummie)
Lena en Tim (kinderen van Marc. Schuilnamen: niet zeker of dat zij kenbaar willen gemaakt worden in dit verhaal)

VERKLARENDE WOORDENLIJST:
*KGO:
Kind van gescheiden ouders

Het gebeurde ergens in de winter. De blos op haar wangen transformeerde van zacht roze naar fel fuchsia. Ze liep niet meer door het huis maar fladderde zingend, lallend en smachtend door de vertrekken van haar verliefde ziel. ‘Ik denk dat het nu voor echt is’ zei mijn moeder standvastig na twee misgelopen huwelijken en een handvol mislukte relaties. Ze heeft gelijk. Ondanks de teleurstelling rest haar alleen de hoop op echtheid, die haar prikkelt en moed inspreekt tot volledige overgave. Opnieuw en opnieuw. Ik geloof dat ik in de donkergroene ogen van Marc ook een lichtje zag flikkeren.

We aperitieven rond een antieke salontafel in de living van hun nieuwe appartement. Negen mensen staren elkaar aarzelend aan in deze gloednieuwe samenstelling. De sfeer voelt geforceerd. Logisch. Mijn moeder weet dat ik gevoelig ben aan dit soort situaties. Ze weet dat ik op dit soort avonden in staat ben om de sfeer vakmatig te verpesten. Ze weet dat er sinds de scheiding in 1999 nog steeds restjes rancune en verdriet aan mij kleven. Maar gelukkig vervagen de grenzen na de jaren, en gelukkig weet ik mij beter te gedragen, en gelukkig heeft Marc tien flessen Prosecco ingeslagen.

De zenuwen treffen iedereen op een andere manier. Den Hummie en Ossi vertellen stoere, grappige verhalen, Joske en ik kibbelen wat, Tim en Lena nemen voorzichtig het spektakel waar en Astrid nipt van haar Kidibul Champagne. Hoewel de kleine Strikke op zich geen bloedband met mijn moeder heeft, is het voor iedereen logisch dat ook zij hier aanwezig is. Mijn moeder vraagt om de 10 minuten bevestiging over de avond: ‘het is hier gezellig hé?’ waarop Marc standaard antwoordt ‘ik ben blij dat het hier zo gezellig is.’ Iedereen doet z’n best om in de smaak te vallen. Tijd voor een giftige opmerking dus. Ik hou niet van gekunstelde constructies. Toch zwijg ik. Ik weet niet of dat het aan de Prosecoo of de hoopvolle blik van mijn moeder ligt, maar om de één of andere reden bezwijk ik en geef ik mij voor de zoveelste keer over aan de zoveelste poging tot een nieuw samengesteld gezin. Liefde is verenigen. Opnieuw en opnieuw.

Na het diner staat Marc op om te speechen. Door de perikelen van zijn scheiding heeft hij zijn kinderen een lange tijd niet kunnen zien. Met zachte stem drukt hij het gemis van de voorbije maanden uit: ‘ik ben zo dankbaar dat wij hier vanavond samen zijn.’ In zijn toon hoor ik de pijn en het gevecht dat achter hem ligt. Op elke ziel kleeft wat verdriet en rancune. Voor de eerste keer deze avond is het stil. Tim en Lena glimlachen, verlegen en zwijgzaam als ze zijn. Wij daarentegen – de Cafmeyers – laten ons na enkele seconden stilte weer meeslepen door veel gelach, groot lawaai en vertier. Logisch: wij hebben ervaring met dit soort toestanden. De standaardprocedure: het eerste uur is spannend – al die nieuwe namen weer onthouden, oppassen geblazen voor giftige opmerkingen en sfeerverpesters – daarna loopt het vanzelf los.

Ik kijk Lena aan en vraag ‘is dit niet raar voor jullie?’ De blos op haar wangen verraadt haar leeftijd, ze is 15, ze staat op het punt om vrouw te worden. Lena zegt ‘ja, ik moet hier nog even aan wennen.’ Tim, die een tikkeltje jonger is, bevestigt het gevoel van zijn zus met een kwetsbare blik. En dan besef ik dat zij nog maar net KGO’s* zijn. Wij staan al tien stiefzussen, vier stiefbroers en zeven stieffamilies verder. Voor hen is dit de eerste keer. Zij moeten nog wennen aan de scheiding, aan de breuk, aan een nieuwe bestemming. Zij moeten zich nu staande weten houden in een nieuw, vreemd nest. Mijn broer Oscar neemt nog een slok van zijn Prosecco en spreekt Lena en Tim zachtjes toe: ‘trek het je niet aan, laat je maar gewoon gaan. Je hoeft hier niet na te de denken, wij zijn experts. Wij weten hoe dit moet.’

De magie van een ontmoeting

De magie van een ontmoeting zit in het toeval. Twee mensen die op de juiste plek en op het juiste moment de durf hebben om in elkaar op te gaan. Twee mensen die de onvermijdelijkheid van hun ontmoeting in elke vezel van hun lichaam voelen en zich niet aan elkaar geven, maar zich smijten. Zonder richting. Voor verliefden is er niets leuker om de eerste aanblik, de eerste aanraking te ontleden. En dan is er de dankbaarheid, dankbaarheid aan het leven dat de juiste stappen zijn gemaakt richting een nieuw verhaal.

Misschien houdt de liefde op als het eerdere toeval niet meer als magisch wordt ervaren, maar als ingewikkeld, te moeilijk. De onvermijdelijkheid maakt plaats voor de banaliteit van de dingen. En dan kan het dwalen weer beginnen.

Gelukkig lopen er tijdens die dwaaltochten genoeg verloren zielen rond. Soms kan je ze moeilijk herkennen, ze verstoppen zich achter een vrolijke pose, een stoer gebaar of een slappe glimlach. Maar je moet maar eens goed in hun ogen kijken. Ik zweer het u, ze zijn allemaal op zoek naar de magie.

Zo was ik enkele weken geleden ook op het juiste moment op de juiste plaats. Ik ontmoette een potentieel gelijkgezinde. En dat moest gevierd worden! Een champagnefles werd ontkurkt op het dakterras van het MAS, sangria vloeide rijkelijk door onze strot in het donkerste hoekje van het café, er werd geaarzeld, gelachen en gezwegen: alles kreeg de juiste wending.

Maar goed, het toeval maakt ons niet altijd dronken. Er is magie en er zijn de dagdagelijkse verplichtingen, ambities en contracten. Ook het vertrek van de potentieel gelijkgezinde is soms onvermijdelijk: hij moest weg.

Ik had liever afscheid genomen in een botanische tuin of op een Franse boulevard maar het gebeurde in de kilte van het station van Brussel Noord. Weldra zal hij de trein nemen naar het buitenland, waar hij zijn opdrachten en ambities zal waarmaken. Hij zegt ‘ik zal je enkele maanden niet zien. Ach ja, slechte timing. Het is spijtig, ik had je liever op een ander moment leren kennen.’

Liever een ander moment? Waar dan? In een andere wereld? Op een andere planeet? In een andere dimensie? Wij zijn hier nu, dus wij moeten HIER, wij moeten NU. Het toeval gebiedt ons dat wij niet zomaar vrijblijvend afscheid kunnen nemen. Dus laat ons gaan, zonder rem, los van elke verplichting, sluit mij op in uw slaapkamer en neem mij mee naar elk denkbaar land! Milan Kundera schreef het ooit op: ‘wie in zijn leven van alledag blind is voor toevalligheden, verliest de dimensie van schoonheid in zijn leven.’ Laten we het toeval dat ons samenbracht uitdiepen, vieren en dus versterken! Dat dénk ik, maar zeg ik niet.

Want natuurlijk stapt hij op de trein naar Duitsland, en natuurlijk ga ik niet mee. De deuren van de trein sluiten. Ik kijk naar hem en naar alle mensen die vertrekken, die op elkaar zullen botsen en die zich zullen smijten. De trein boemelt weg en ik slenter door het station. Op weg naar een nieuwe ontmoeting die er onvermijdelijk aankomt. Want ze zitten overal, die verloren zieltjes. Je moet maar eens goed in hun ogen kijken. Ik zweer het u, ze zijn allemaal op zoek naar de magie.