De wereld gaat vooralsnog niet ten onder

Mijn hypochondrische aard komt naar boven tijdens deze crisis. Ik word kortademig als ik het woord ‘kortademig’ hoor. Bij de minste gloed op mijn wangen meet ik om de drie seconden mijn koorts. Ik spendeer uren op Google om alle symptomen over alle bestaande ziekten op te sporen. Soms fantaseer ik over mijn uitvaart. Ik word paranoïde van een voorbijlopende kat.

Ook mijn psyche reageert overgevoelig op deze situatie. Ik dwing mezelf om elke dag minstens een half uur naar buiten te gaan. Meestal ga ik naar het stadspark. Daar word ik steeds verwonderd door het feit dat de menselijke soort nog niet is uitgestorven. Meer zelfs, er zijn nog mensen met een gezonde blos op hun wangen, ze lachen naar mij, ze leven. Het is goed voor de mentale gezondheid om mezelf eraan te herinneren dat de wereld vooralsnog niet ten onder gaat.

Ik zou natuurlijk minder onheilspellende nieuwsberichten kunnen lezen, maar ook dat is – naast gin-tonic, chips, witte wijn, paaseieren en vitaminepillen – een verslaving geworden.

De Franse schrijver en transactivist Paul Preciado schreef voor La Libération een getuigenis over hoe hij het virus meemaakte. Na een week ziek te zijn, werd hij wakker in een nieuwe wereld. De voorpagina’s van de kranten waren nog erger dan zijn meest koortsachtige deliriums. De wereld was afstandelijk, individueel en hygiënisch geworden. Hij werd er zo angstig van, dat hij besefte dat hij zich moest beschermen. Hij kocht essentiële oliën op basis van oregano en zweerde zichzelf om enkele dagen geen nieuws te volgen. Hij wilde nadenken over de vraag: in welke omstandigheden is een leven het waard om geleefd te worden?

Als ik zelf over deze vraag nadenk, kom ik op het volgende inzicht: het leven is voor mij de moeite waard als ik zo nu en dan in quarantaine kan van de quarantaine. Een ruimte in mijn hoofd die even geen weet heeft van dodenaantallen, mislukte machthebbers en faillissementen. Een ruimte in mijn hoofd waar ik me kan concentreren op iets heel simpels: liefde.

Liefde die in mijn glas wijn zit, in een voorbijganger die onverwachts naar mij lacht, in de overbuurvrouw die voor het eerst in al die jaren naar me zwaait, in de verpleegster die mijn moeder moed toesprak, in de kus van mijn lief, in komijnzaad en cayennepeper die bakken in olijfolie, in de zonsondergang op het dakterras, in dansen op ‘12.38′ van Childish Gambino, in Patti Smith en haar koor die zingen people have the power, in elkaar een Griekse tragedie voorlezen, in dronken worden, in de slappe lach, in vegan merengue (kikkererwtenvocht, suiker, citroensap), in de kunstenaar David Hockey die zegt: Do remember they can’t cancel the spring.

Liefde, liefde, liefde, ja, het werkt. Ik kan weer ademen!

Artikel Paul Preciado: https://www.artforum.com/slant/paul-b-preciado-on-life-after-covid-19-82586

Bridget Riley - Sikkens Prize
Bridget Riley

Deze column verscheen op 3/4/20 in De Morgen

Vreselijk vrolijk

Gisteren wandelde ik met mijn moeder in het stadspark. Het was een prachtige dag en ik vond het bijna akelig hoe onverschillig het weer was tegenover deze crisis. Mijn moeder zei: “Bekijk het van de goede kant, Julie. De zon schijnt, de vogels tsjirpen, de bomen staan in bloei. Geniet van de schoonheid.”

“Ik kan er niet van genieten”, mokte ik. “Ik krijg stress van al die onheilspellende nieuwsberichten. Mijn rug staat sinds enkele dagen vol uitslag. Ik moet de hele tijd krabben.”

Ik bleef verder klagen over een vakantie die niet doorgaat en dat ik bang was voor de toekomst. Ze zei dat ik de controle moest lossen, dat we niet weten wat morgen brengt, dat we de zon op ons gezicht konden laten schijnen.

Mijn moeder is twee maanden geleden een bar begonnen in het centrum van Antwerpen. Tijdens de opening schonk ze me een glas prosecco uit en zei: “Het is alsof ik op mijn 55ste voor de eerste keer doe wat ik graag doe. Kiezen voor wat je wil, dat geeft zoveel levenslust.” Sindsdien lijkt ze onverslaanbaar. Als nieuwe zelfstandige is ze kwetsbaar, maar het lijkt alsof ze elke uitdaging aangaat met levensvreugde en humor. Ze ziet er ook anders uit. Ze is 10 kilo lichter en heeft een nieuwe, klare blik.

Ik zei: “Het lijkt wel alsof jij een persoonlijke revolutie hebt doorgemaakt.”

Tijdens onze wandeling kwamen we een vriend van haar tegen. Een man met lange grijze haren en beige trenchcoat vertelde dat hij bang was voor het virus omdat hij hartproblemen had. Mijn moeder moedigde hem aan, dat hij gezond zou blijven en dat ze hierna een groot feest zou geven in haar bar. De man zei: “Ik heb zoveel zin om je te knuffelen.”

Een jongetje met pijpenkrullen kwam voorbij gestept en stopte om onduidelijke redenen vlak bij mijn moeder. Alsof ze zoveel geluk uitstraalde dat iedereen bij haar in de buurt wilde zijn. Ik krabde nog eens aan mijn rug en panikeerde: “Het kind houdt geen 1,5 meter afstand!” Mijn moeder zei: “Laat hem toch.”

“Ondanks de sluiting ben ik druk bezig,” ratelde ze verder, “ik zit midden in een lenteschoonmaak. Vannacht ben ik tot 3 uur doorgegaan. Vind je dat ik er moe uitzie?”

Een puber wandelde voorbij. Hij droeg een witte pet en Fila-sneakers. Hij had ons gesprek afgeluisterd en zei mijn moeder: “Nee, je ziet er heel goed uit, mevrouw!”

Mijn moeder glimlachte hartelijk. Ik vond het ongelofelijk hoe ze zo vreselijk vrolijk kon zijn. Toch had ze gelijk. Schopenhauer zei het al: “Wie opgewekt is, heeft alle reden om het te zijn: gewoonweg omdat hij het is.”

Mijn moeder bleef in de slappe lach hangen door het onverwachte compliment van een puber. Haar gelach klonk zo vrolijk dat ik het niet langer kon ontkennen. Ondanks alles was dit gewoonweg een prachtige dag.

Beeld: David Hockney

Deze column verscheen op 23/3 in De Morgen

Nieuwe routines

Net voor de quarantaine begon, was ik op bezoek bij een vriend. Hij heeft een rijsttaartje gekocht en maakt een smoothie met rode biet en gember voor me. Hij zegt: “Het klinkt misschien fout, maar ik verlang zo naar een quarantaine. Ik ben het zoveelste cliché dat bekent dat hij al jaren opgejaagd leeft.

Ik kan me al zo lang niet meer concentreren. Ik probeer me sinds drie jaar elke ochtend iets heel simpels voor te nemen. Bijvoorbeeld: vandaag ga ik broccolisoep maken. Nog geen twee uur later zit ik in de frituur een curryworst special te eten. Daarna voel ik me schuldig omdat ik wéét dat mijn lijf liever broccolisoep wil dan een curryworst. Dat klinkt nu heel banaal. Die curryworst is eerder een metafoor voor: wat wil ik nu werkelijk in dat leven van mij? Wat wil ik dat op een dieper niveau goed voor me is? En waarom kom ik niet tot de dingen die ik wil?”

Hij neemt een slok van het rodebietensap. Het is hem vandaag alvast gelukt om een smoothie uit die blender te persen. Die verdomde blender die hem elke dag aankijkt, wel tegen hem lijkt te spreken: ‘Gebruik me. Ik ben goed voor je lichaam!’

Hij zet zijn glas terug op tafel en kijkt ernstig in de verte. Ik vraag me af of hij nu door die metafoor van de curryworst een existentieel dieptepunt zal bereiken. Gaat hij instorten? Ik neem nog een hap van de taart omdat ik niet meteen op een troostrijke repliek kom.

“Kijk, het draait niet om die curryworst”, gaat hij verder alsof hij mijn gedachten kon lezen. “Het gaat erom dat je zo nu en dan dingen in je leven doet die essentieel voor je zijn.”

Ik zeg hem dat hij niet de enige is, dat zoveel vrienden me al vertelden dat ze druk bezig zijn met schema’s op te zetten, structuren te scheppen, lijstjes te maken om eindelijk te doen wat ze zo graag willen. Het gaat om kleine dingen. Dingen als piano leren spelen, een boek lezen, opruimen.

Hij zegt: “Ja, precies. Alsof de leegte inspireert. Dat is het aantrekkelijke aan een blanco dag. Dat je vanuit het niets nieuwe routines kan opbouwen. Dat je kan voelen: wat vind ik nu echt leuk? En kan ik mijn leven daarop inrichten? Je terugtrekken om te voelen waar je motor zit. Ik geloof dat we hieruit kunnen leren. Ik droom al enkele nachten over de schone lucht in China. Ik droom over paradijsvogels, kolibries en toekans die euforisch in een blauwe lucht vliegen. Ik droom over mensen die weer ademen. Ik moet de hele tijd maar denken aan die zin van Camus: ‘Midden in de winter begreep ik eindelijk dat er in mij een onoverwinnelijke zomer huisde.’ Dat geeft mij hoop, dat er iets nieuws tot leven kan komen midden in de crisis.”

Het was even stil. Ik wilde hem vasthouden, maar dat deed ik natuurlijk niet.

Isa Genzken Artist Retrospective Installation Moma The Museum of Modern Art New York

Beeld: Isa Genzken

Deze column verscheen op 18/3 in De Morgen

 

Enjoy Love

Welkom in een volgende episode van mijn leven. Ja, dit belooft een persoonlijke column te worden en de reden is simpel: het gaat niet altijd super met mij. Ik moet dus soms wat ventileren. Over mijn relatie bijvoorbeeld. Daar zal ik eerlijk over zijn, die gaat met vallen en opstaan. Als een columniste niet meer eerlijk kan zijn, wie dan wel? 

Onze ruzie gaat over Facebook. Op zijn pagina staan er nog foto’s van zijn ex-vriendin. (Ik vind ze intiem, hij niet.) Omdat ik zo tolerant en open ben, heb ik daar uiteraard geen probleem mee. Enige probleem: we zijn een jaar samen en er staat nog geen enkele foto van mij online. Juist, ja. Hoe komt dat?

Mijn vriend zegt dat hij sociale media al sinds een lange tijd heeft afgezworen en niets meer online plaatst. Meer moet ik er niet achter zoeken. Nu zag ik eergisteren dat hij plots een foto deelde van hem en zijn broer. Op zich was er niets mis met de foto. Ze stonden er mooi op. Maar er kwamen toch enkele vragen in mijn tolerante, open, doch kritische geest naar boven: waarom zet hij van iedereen foto’s online, behalve van mij? Omdat ik geen conflictvermijdend type ben, belde ik hem op en confronteerde hem. 

Hij zei dat ik overdrijf. Dat hij wel eens een foto zal delen als het spontaan voelt. 

‘Sociale media zijn een constructie van een nieuwe realiteit. Een berekend beeld van hoe wij willen dat ons leven overkomt. Ga jij nu plots pleiten voor de spontaneïteit op Facebook?’ 

‘Julie, Facebook is een maffieuze dievenbende. Daar kan je toch niet serieus in meegaan?’  

‘Het is toch niet omdat Facebook corrupt is, dat jij onze liefde niet kan uiten?’ antwoord ik in pure wanhoop. ‘Schaam jij je voor mij?’ 

Ik hang op, surf naar mijn pagina en staar naar een foto die ik enkele weken geleden deelde. Ik glimlach verliefd naar hem, hij kijkt in de lens. Waarom promoot ik onze relatie op mijn eentje? Ik kan de kinderachtige impuls om de foto te wissen en hem te ontvrienden niet onderdrukken. Sorry. Ja, het klinkt zielig. Ik ontvriend mijn lief. 

Juist op dat moment krijg ik mijn gelijk en deelt hij met tegenzin een vakantiefoto waarop we gelukkig de lens inkijken. De likes, enthousiaste emoticons en hartjes blijven binnenstromen op onze perfecte Facebookfoto terwijl wij elkaar overladen met kwade sms’en. Hij is razend omwille van mijn dwingende karakter en ik ben diep teleurgesteld in zijn passiviteit. Elke sms maakt de afgrond dieper. Hij stelt voor om elkaar een week niet zien. Ik stel voor om onze zomervakantie te annuleren. Misschien kunnen we er gewoon mee ophouden.

Ik doe aan kettingroken tegen de stress, probeer hem te bellen, tranen over mijn wangen. Hij neemt niet op. Mijn telefoon blijft pingen. Iemand die ik niet ken, heeft een reactie op onze foto geplaatst: ‘Enjoy love.’

Afbeeldingsresultaat voor melanie bonajo economy of love

Economy of love, Melanie Bonajo

Deze column verscheen op 7/2 in De Morgen

Verlangen

Door een samenloop van omstandigheden kon ik deelnemen aan een groepsgesprek onder leiding van de seksuologe Esther Perel. We zitten in een kring met ongeveer dertig mensen en hebben het over seksualiteit. Esther Perel is inmiddels wereldberoemd geworden door haar tedtalks, podcasts en boeken die vaak rondom het verlangen in een langetermijnrelatie gaan. Kan je verlangen naar iets wat je al hebt? Ze zegt: ‘Het is belangrijk om je verlangen te blijven ontdekken. Hierin ligt een belangrijk verschil tussen exploratie en evaluatie. Als je jezelf evalueert in je verlangen, bots je alleen op oordelen. Als je vrij bent om te ontdekken wat je verlangt, is er plezier.’

Ik stel haar de vraag: ‘Wat als je in staat bent om te verlangen naar de persoon met wie je samen bent, maar dat je verlangen niet altijd beantwoord wordt? Ik zit nu in een vaste relatie. We verlangen naar elkaar. Maar wat met onze fantasieën die de ander niet heeft? Ik bedoel: heel vaak krijg je niet wat je wil in een relatie. Je kan niet altijd alles geven wat de ander wil. We verzanden in clichés. Ik wil meer standvastigheid, samen een thuis creëren. Hij wil meer avontuur, risico, het onbekende. Soms wil hij ook standvastigheid, maar dan wil ik weer avontuur. Hoe kan je het verlangen laten samenkomen?’

‘Ik heb geen antwoord op je vraag’ zegt ze streng. ‘Er zijn geen kant en klare oplossingen. Om je te begrijpen, moet ik meer weten. Tell me your story.’ 

Wat is mijn verhaal?  

In een essay in De Groene Amsterdammer stelt schrijfster Daan Borrel de vraag: ‘Wat zou vrouwelijke begeerte zijn als ze is ontdaan van het het heteroseksuele, monogame kostuum?’ Ze onderzoekt of het zou kunnen dat vrouwen al eeuwen naar mannen verlangen om een grootser verlangen niet te voelen.

Wat als ik mijn leven lang gepusht ben om naar mannen te verlangen? Wat als ik door een sociale structuur ben gaan geloven dat de enige vorm van een relatie samen een huis inrichten is? Wat als ik wil bewijzen aan mijn familie dat ik een voorbeeldige vrouw ben omdat ik een vriend heb? Wat als ik mijn vrienden wil imponeren met mijn zogezegde succesvolle relatie? 

Hoe kan ik weten wat mijn relatie betekent als ik met een constante angst kamp: als het ooit uit is, zullen mijn ouders teleurgesteld zijn. Ook mijn vrienden zullen denken: ‘Ja, Julie, ze kan wel wat, maar de liefde, dat kan ze niet.’  

Ik besef nu dat ik mijn vraag scherper kan stellen aan Esther Perel: wat als ik niet toekom aan het exploreren van mijn begeerte omdat ik constant bots op oordelen? Oordelen naar mezelf toe, en dus ook naar de ander.

Nog voor ik de vraag kan stellen, stelt iemand anders een vraag. Het is geen seconde stil. Iedereen is hier op zoek naar zijn ware verlangen. 

Penny Slinger

Deze column verscheen op 5/2 in De Morgen

Artikel van Daan Borrel: https://www.groene.nl/artikel/dit-is-niet-hoe-vrouwen-verlangen

Hou me vast

Enkele weken geleden was ik in het station Antwerpen centraal. Vlak voordat ik de roltrap op wilde naar spoor 22 botste ik bijna op een man. De man zei galant: ‘gaat u voor, mevrouw.’ Op het moment dat ik een stap op de roltrap zette, vroeg hij me: ‘En hoe gaat het verder met u vandaag?’ Ik was op dat moment helemaal in mijn eigen wereldje. Ik was me weer aan het haasten en piekerde over de toekomst, over het verleden. Ik was dus volledig afgeleid door zijn vraag en verloor mijn evenwicht. De man hield me net op tijd vast bij mijn schouders. ‘Ik hou je vast’ fluisterde hij in mijn oor. 

Op het perron zei hij me: ‘Ik ben wel blij dat je niet van die roltrap bent gevallen. Als jij die val niet overleefd had, zou ik me toch schuldig hebben gevoeld.’ Ik lachte naar hem en toen de trein aankwam vroeg hij of ik bij hem wilde zitten.

Ik denk dat hij rond de vijftig was, hij had vele grijze haren en een lieve glimlach.

‘Wat doe jij in het leven?’ vroeg ik hem. ‘Ik werk voor de NMBS’ zei hij trots. ‘Mijn dienst zit er net op. Ik maak deel uit van de ploeg ‘B for you.’ Ik help mensen met een beperkte mobiliteit de trein op. Maar eigenlijk ben ik hier voor iedereen. Gisteren was er bijvoorbeeld een vrouw die haar trein net had gemist. Haar kindje zit op de crèche en ze zou te laat zijn. Dat is natuurlijk frustrerend. Ik ben naar haar toe gestapt en heb haar een koffietje aangeboden. Gewoon uit eigen zak hé.’ 

‘Dus jij bent hier om mensen te troosten?’
‘Zo kan je het wel stellen, ja. Enkele weken geleden had ik dienst aan het station van Mechelen. Plots zag ik een jong meisje dat op het spoor lag. Ik heb haar van het spoor geholpen. Ze vertelde me dat ze gepest werd. Haar ex-vriendje had naaktfoto’s van haar verspreid op Instagram. Die foto’s waren viraal gegaan. Dat kan je bijna niet vatten. Zo’n jong meisje die geen uitweg meer ziet. En zo zijn er veel gevallen hé.’ 

‘Gelukkig was jij er op het juiste moment.’ 

‘Meestal probeer ik mezelf overbodig te maken. In het station van Mechelen was er een meisje dat altijd alleen stond aan het spoor. Dan ging ik daar een babbeltje mee slaan. Maar ja, op den duur beginnen mensen raar te kijken als een oude man te veel rondhangt met een jong meisje. Ik heb haar voorgesteld aan een ander groepje jongeren. Zij is nu volledig opgenomen door die groep.’ 

Als hij de trein afstapt zegt hij: ‘Mijn naam is Eddy.’ 

Ondanks dat bijna alles misloopt bij de NMBS is er goed nieuws. Ergens in het station loopt een wereldverbeteraar rond. Hij is op zoek naar mensen die zich eenzaam of machteloos voelen in de menigte. Hij zal je op de trein helpen, hij zal je proberen thuis te brengen. En als je je evenwicht verliest, zal hij zachtjes in je oor fluisteren: ‘ik hou je vast.’ 

Weeks on the train, Nicole Eisenman 

Deze column verscheen op 16/1 in De Morgen

Droom

Ik was zo iemand die geloofde dat je dromen iets wezenlijks over je leven kunnen onthullen. Je dromen vertellen iets over je meest kinky fantasieën, je gruwelijkste angsten en je diepste verlangens. Ik droomde onlangs dat ik op een veld stond bij een jager die een hert probeerde dood te schieten met een speer. De jager werd geraakt door een andere schutter. Ik zakte door mijn knieën en verzorgde zijn wonde. De volgende ochtend googelde ik: ‘Droom + wonde + bloed + hert + speer?’ Google wist het niet. 

De nacht daarvoor droomde ik dat ik een kind in mijn armen hield. Mijn dochter was ziek en ik redde haar leven door haar zachtjes te sussen. Ik voelde me nuttig, meer zelfs, ik voelde me een soort van heldin. Alsof mijn leven plots richting kreeg nu ik zorg kon dragen voor een nakomeling. Ik vond het een belachelijke droom. Het is onnozel om jezelf als een heldin te wanen als je je eigen kind redt, aangezien je er zelf voor gekozen hebt om een totaal hulpeloos, zorgbehoevend wezen op de wereld te zetten.

Er zijn dromen die steeds terugkomen. Ik droom op regelmatige basis dat mijn vriend me op de meest ijzingwekkende manieren verlaat. Hij bedriegt me met mijn beste vriendin, hij vertrekt op wereldreis en blokkeert mijn telefoonnummer, mijn schoonmoeder nodigt me uit voor de koffie en vertelt me dat hij me nooit meer wil zien. 

Als je dromen je bang maken, als ze niet inspireren, kan je je dromen sturen. Je moet goed rondkijken. Je moet de beelden die je raken opslaan. Je moet hopen dat die beelden ’s nachts in nieuwe gedaanten verschijnen. 

Op oudejaarsnacht keek ik naar een meisje verkleed als vlinder. Ze danste met een hula hoop maar de hula hoop viel de hele tijd van haar heupen. Ze keek me aan met haar blauwe ogen en zei: ‘het ligt aan de outfit, het vlinderpak is nieuw.’ Ik keek naar een magische tuin in Zuid Afrika, een pauw die al haar veren verliest. Een vrouw die één van de veren in haar grijze haren speldt. Een aap in mijn hotelkamer die mijn Dior lippenstift probeert te stelen. Iemand die zegt: ‘de velvet monkeys hebben blauwe ballen, heb je zijn ballen gezien?’ De verschillende soorten blauw in de zee. De indringende strontgeur van de zeehonden. En dat ik ondanks de afschuwelijke stank blijf zeggen: ik heb nog nooit zoveel verschillende soorten blauw gezien. 

Die nacht droom ik dat ik mijn haar blauw kleur. De volgende dag drink ik een koffie in Kaapstad en de serveerster heeft een blauw afrokapsel. Hoe vaak zie je iemand met blauw haar in een koffiebar? De droom onthult niets over je leven. Alles wat je meemaakt, heb je ’s nachts al eens gezien. En zo weet je: het is goed, ik ben waar ik moet zijn.

Gerelateerde afbeelding

Beeld: Sophy Hollington 

Deze column verscheen op 6/1/20 in De Morgen