Vreselijk vrolijk

Gisteren wandelde ik met mijn moeder in het stadspark. Het was een prachtige dag en ik vond het bijna akelig hoe onverschillig het weer was tegenover deze crisis. Mijn moeder zei: “Bekijk het van de goede kant, Julie. De zon schijnt, de vogels tsjirpen, de bomen staan in bloei. Geniet van de schoonheid.”

“Ik kan er niet van genieten”, mokte ik. “Ik krijg stress van al die onheilspellende nieuwsberichten. Mijn rug staat sinds enkele dagen vol uitslag. Ik moet de hele tijd krabben.”

Ik bleef verder klagen over een vakantie die niet doorgaat en dat ik bang was voor de toekomst. Ze zei dat ik de controle moest lossen, dat we niet weten wat morgen brengt, dat we de zon op ons gezicht konden laten schijnen.

Mijn moeder is twee maanden geleden een bar begonnen in het centrum van Antwerpen. Tijdens de opening schonk ze me een glas prosecco uit en zei: “Het is alsof ik op mijn 55ste voor de eerste keer doe wat ik graag doe. Kiezen voor wat je wil, dat geeft zoveel levenslust.” Sindsdien lijkt ze onverslaanbaar. Als nieuwe zelfstandige is ze kwetsbaar, maar het lijkt alsof ze elke uitdaging aangaat met levensvreugde en humor. Ze ziet er ook anders uit. Ze is 10 kilo lichter en heeft een nieuwe, klare blik.

Ik zei: “Het lijkt wel alsof jij een persoonlijke revolutie hebt doorgemaakt.”

Tijdens onze wandeling kwamen we een vriend van haar tegen. Een man met lange grijze haren en beige trenchcoat vertelde dat hij bang was voor het virus omdat hij hartproblemen had. Mijn moeder moedigde hem aan, dat hij gezond zou blijven en dat ze hierna een groot feest zou geven in haar bar. De man zei: “Ik heb zoveel zin om je te knuffelen.”

Een jongetje met pijpenkrullen kwam voorbij gestept en stopte om onduidelijke redenen vlak bij mijn moeder. Alsof ze zoveel geluk uitstraalde dat iedereen bij haar in de buurt wilde zijn. Ik krabde nog eens aan mijn rug en panikeerde: “Het kind houdt geen 1,5 meter afstand!” Mijn moeder zei: “Laat hem toch.”

“Ondanks de sluiting ben ik druk bezig,” ratelde ze verder, “ik zit midden in een lenteschoonmaak. Vannacht ben ik tot 3 uur doorgegaan. Vind je dat ik er moe uitzie?”

Een puber wandelde voorbij. Hij droeg een witte pet en Fila-sneakers. Hij had ons gesprek afgeluisterd en zei mijn moeder: “Nee, je ziet er heel goed uit, mevrouw!”

Mijn moeder glimlachte hartelijk. Ik vond het ongelofelijk hoe ze zo vreselijk vrolijk kon zijn. Toch had ze gelijk. Schopenhauer zei het al: “Wie opgewekt is, heeft alle reden om het te zijn: gewoonweg omdat hij het is.”

Mijn moeder bleef in de slappe lach hangen door het onverwachte compliment van een puber. Haar gelach klonk zo vrolijk dat ik het niet langer kon ontkennen. Ondanks alles was dit gewoonweg een prachtige dag.

Beeld: David Hockney

Deze column verscheen op 23/3 in De Morgen

Nieuwe routines

Net voor de quarantaine begon, was ik op bezoek bij een vriend. Hij heeft een rijsttaartje gekocht en maakt een smoothie met rode biet en gember voor me. Hij zegt: “Het klinkt misschien fout, maar ik verlang zo naar een quarantaine. Ik ben het zoveelste cliché dat bekent dat hij al jaren opgejaagd leeft.

Ik kan me al zo lang niet meer concentreren. Ik probeer me sinds drie jaar elke ochtend iets heel simpels voor te nemen. Bijvoorbeeld: vandaag ga ik broccolisoep maken. Nog geen twee uur later zit ik in de frituur een curryworst special te eten. Daarna voel ik me schuldig omdat ik wéét dat mijn lijf liever broccolisoep wil dan een curryworst. Dat klinkt nu heel banaal. Die curryworst is eerder een metafoor voor: wat wil ik nu werkelijk in dat leven van mij? Wat wil ik dat op een dieper niveau goed voor me is? En waarom kom ik niet tot de dingen die ik wil?”

Hij neemt een slok van het rodebietensap. Het is hem vandaag alvast gelukt om een smoothie uit die blender te persen. Die verdomde blender die hem elke dag aankijkt, wel tegen hem lijkt te spreken: ‘Gebruik me. Ik ben goed voor je lichaam!’

Hij zet zijn glas terug op tafel en kijkt ernstig in de verte. Ik vraag me af of hij nu door die metafoor van de curryworst een existentieel dieptepunt zal bereiken. Gaat hij instorten? Ik neem nog een hap van de taart omdat ik niet meteen op een troostrijke repliek kom.

“Kijk, het draait niet om die curryworst”, gaat hij verder alsof hij mijn gedachten kon lezen. “Het gaat erom dat je zo nu en dan dingen in je leven doet die essentieel voor je zijn.”

Ik zeg hem dat hij niet de enige is, dat zoveel vrienden me al vertelden dat ze druk bezig zijn met schema’s op te zetten, structuren te scheppen, lijstjes te maken om eindelijk te doen wat ze zo graag willen. Het gaat om kleine dingen. Dingen als piano leren spelen, een boek lezen, opruimen.

Hij zegt: “Ja, precies. Alsof de leegte inspireert. Dat is het aantrekkelijke aan een blanco dag. Dat je vanuit het niets nieuwe routines kan opbouwen. Dat je kan voelen: wat vind ik nu echt leuk? En kan ik mijn leven daarop inrichten? Je terugtrekken om te voelen waar je motor zit. Ik geloof dat we hieruit kunnen leren. Ik droom al enkele nachten over de schone lucht in China. Ik droom over paradijsvogels, kolibries en toekans die euforisch in een blauwe lucht vliegen. Ik droom over mensen die weer ademen. Ik moet de hele tijd maar denken aan die zin van Camus: ‘Midden in de winter begreep ik eindelijk dat er in mij een onoverwinnelijke zomer huisde.’ Dat geeft mij hoop, dat er iets nieuws tot leven kan komen midden in de crisis.”

Het was even stil. Ik wilde hem vasthouden, maar dat deed ik natuurlijk niet.

Isa Genzken Artist Retrospective Installation Moma The Museum of Modern Art New York

Beeld: Isa Genzken

Deze column verscheen op 18/3 in De Morgen