Zomeruur

Ik ben in Myanmar en zit op een dakterras bier te drinken met een Fransman en een Canadees. ‘Weet je waarvan ik droom?’, vraagt de Fransman. ‘Ik zag onlangs een documentaire over een commune in Hawaï. Het enige waar die mensen zich mee bezighouden is: liedjes repeteren. Als ze klaar zijn, varen ze met een vlot naar de oceaan.

In het midden van de oceaan halen ze dan gitaren boven en zingen ze liedjes voor de walvissen. De muziek klinkt slecht en vals, ik bedoel: ze kunnen niet zingen. Maar who cares? Het is een geruststellende gedachte dat er ergens op deze wereld mensen bestaan die simpelweg hun leven vullen met het eren van de walvissen.’

De Canadees knikt. Hij heeft een lange ponystaart en vertelt dat hij half-indiaans is. ‘Mijn roots zitten in de natuur, man. Vorig jaar ben ik naar mijn hut getrokken in de Canadese wildernis. Ik had het even gehad met mijn leven, overwerkt. Zes maanden lang zat ik in mijn hut.

En weet je wat? Ik was vergeten dat er seizoenen bestonden. Weet je hoe de zomer klinkt? In de zomer is er geen wind, de zomer is dus stil. Voor het eerst hoorde ik de absolute stilte. En ik zag de hemel, het was alsof ik voor de eerste keer een hemel zag. Ik was vergeten dat vogels immigreren. Ik zag vogels met een rode borst en een trompetzwaan. Ik luisterde naar de vogels en probeerde hen na te bootsen.’

Hij staat nu op en doet vol bezieling vogelgeluiden na. ‘En het mooie is, als je het goed doet, komen ze op je af. Dan nam ik een geweer en knalde ik ze af. Je moet daar tenslotte ook gewoon eten.’

‘Ja, man!’, zegt de Fransman, ‘Het gaat om het vieren van de kosmos. Hier in Myanmar, wordt de maan elke maand gevierd. Er worden festivals georganiseerd ter ere van de vollemaan! In september heb je het Nat-festival. Iedereen transformeert dan voor één nacht in wie hij werkelijk wil zijn.

Je ziet dragqueens op purperen stilettohakken die tussen elke vinger een sigaret houden. Of een man die plots een tijger wordt; hij sluipt, hij jaagt, hij gromt. De volgende dag verkoopt hij weer theebladeren in zijn winkel, alsof er niets is gebeurd. Die man is voldaan, een nacht lang kon hij vol overgave een tijger zijn.’

Een paar dagen later sta ik aan een gouden tempel waar mensen water offeren aan de Boeddha’s. Het is een geruststellende gedachte dat er ergens op deze wereld mensen bestaan die repetitief – met een plastic bekertje – water over Boeddhabeelden gieten. Ik pak mijn recorder en neem het geluid van het stromende water op.

Nu ben ik weer thuis. Het is zaterdagavond en vannacht gaat het zomeruur in. Ik had dit graag gevierd. Er staat een fles champagne in mijn diepvries die elk moment kan ontploffen en naast me staat een flesje Jupiler gevuld met sigarettenpeuken. Ik moet de zomer vieren. Ik loop naar buiten met een koptelefoon op. Ik zoek de maan en zet de geluidsopname op. Ik zie de hemel en ik zou je zweren dat ik de zomer hoor.

 

Deze column verscheen op 29/3/18 in De Standaard

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s