Hey, ik ben het

Ik leerde hem kennen in Hsipaw, een stad in het noorden van Myanmar. Hij had een zwarte dot op zijn hoofd en op zijn rechterarm een tattoo met de woorden ‘hey, it’s me’. Ik voelde me aangetrokken tot zijn wilde uiterlijk.

Hij trakteerde me op een cocktail in een bar. Ik zei hem dat ik nog nooit zo’n overdreven knalroze cocktail had gezien en hij legde me uit dat het kwam door de pitaja, een roze cactusvrucht.

Na de cocktails stelde hij voor om me met zijn motor naar mijn hotelkamer te brengen. Ik zat nu achterop en hij fluisterde in mijn oor dat ik mijn handen over zijn middel mocht houden. Even een korte verleidingstip: raak nooit iemand aan die vraagt om aangeraakt te worden.

Mensen die aangeraakt willen worden zijn tot veel in staat, ze doen alles voor die éne aanraking. Daarom moet je hen zo ver drijven als je kan. Als ze het zelf niet meer uithouden, zullen ze jou aanraken. Vol overgave, omdat ze niet anders kunnen. En het zal de juiste plek zijn. Het is nodig om aangeraakt te worden op exact de juiste plek en dat gebeurt absoluut niet als je zelf wat in het wilde weg begint aan te raken. Concentratie. Oké.

We waren nu in mijn hotelkamer. Hij kleedde me uit en masseerde mijn hele lijf. Er was een moment dat hij mijn linkervoet aanraakte en dat ik dacht: ja, dit is het, ja, hier.

Na de massage rookte hij een sigaret op het terras van onze hotelkamer. Er vloog een vuurvliegje in cirkels om ons heen en ik besloot dat dit moment magisch was. Maar zoals dat meestal gaat met magische momenten kreeg ik het na een tijdje koud en wilde ik terug naar binnen, naar het warme bed.

Wild van enthousiasme door de vele aanrakingen die me deze nacht te wachten stonden, liep ik naar binnen. Ik had alleen niet gezien dat de schuifdeur uit glas eigenlijk gesloten was. Met een ongelofelijke knal botste ik met mijn hoofd op de glazen deur, als een vogeltje dat te pletter stort tegen een ruit. Hij lachte me niet uit, maar nam mijn hoofd vast, zijn twee warme handen op mijn hoofd, het was alsof hij de pijn uit mijn lijf zoog.

De volgende dag namen we afscheid aan de bushalte. Ik had eigenlijk nog wat willen blijven, maar mensen die reizen, denken dat ze de hele tijd moeten reizen. Achteraf bekeken denk ik dat mensen vooral aangeraakt moeten worden. Raak me nog eens aan. Ja, daar. Exact daar. Nog eens. Ja.

Ik zei: ‘Het is zo treurig dat de dingen voorbij gaan.’ Hij citeerde Boeddha: ‘Nothing is permanent. Op een dag moest je hier hoe dan ook vertrekken. En toch gaat niets voorbij, zelfs als je dood bent kom je terug, als een kakkerlak, een leeuw of een engel. We zien elkaar terug, en als het niet in dit leven is, is het ergens anders.’

Ik zei: ‘Niets is permanent en toch gaat niets voorbij?

‘Zoiets ja.’

Ik stapte in de bus. Ik zag mezelf in de ruit en wees naar de rode bult op mijn voorhoofd. Hij lachte en toonde zijn tattoo op zijn arm: ‘hey, it’s me.’

 

Deze column verscheen op 1/3/18 in De Standaard

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s