Un mûrier platane in the middle of nowhere



I. 

Ik ben hier om de zendmasten van deze wereld te vermijden. 

Ik ben hier om onbereikbaar te zijn.


Ik ben hier om te genieten van de escargots die ze voor me klaarmaakt.

Ik ben hier om Ricard te drinken met haar 80-jarig lief, dat ze enkele jaren geleden heeft leren kennen in een Franse fitnessclub.

Ik ben hier om in een verlicht zwembad te drijven op een luchtmatras. 


Ik ben op bezoek bij mijn oma in een Frans bos. 



Oké. 

Ik ben er klaar voor.

Ik voel de bereidheid om me los te koppelen met de rest van de wereld

en te voelen wat er dan nog rest.



Oké.
Aandacht.



Waar blijft die zogenaamde oase van rust nu? 



Ik moet eerst afkicken. 


Afkicken van die ene jongen die me vorige week een smsje stuurde met de woorden:
‘Ik mis je sinds 16u vanmiddag.’

Afkicken van de stemmen in mijn hoofd
 die me steeds weer lastige vragen stellen:
of ik mijn geld nu moet spenderen aan een reis naar Myanmar

of misschien beter kan investeren in een Ikea-bed?

En waar ik volgende maand weer ga wonen. 

En waarom ik steeds weer naast hem in bed ga liggen.
Uit gemakzucht of liefde.



(En dan te bedenken dat ik eigenlijk net zo goed onder de sterren zou kunnen liggen.) 



II.

Ik zei mijn oma dat ik een wandeling ging maken. Ze vroeg of ik de bloemen aan het graf van mijn opa water wilde geven. Ik kwam aan op het kerkhof, plukte de verwelkte bloemen weg en gaf water aan de fuchsia bloemen die nog wel in leven waren. 



Ik vertrok meteen weer. 



Op mijn weg terug vroeg ik me af waarom ik niet langer stil bleef staan bij een leven dat gepasseerd was. Misschien had het niets met de dood te maken, maar met het leven zelf. Want ook tijdens mijn wandeling was ik niet in staat om simpelweg de tijd te nemen om rond te kijken. Ik had haast.



Er rende een hert voorbij. Ik was de natuur dankbaar dat ik door de plotse verschijning van dat wilde beest toch – althans voor even – in het hier en nu was. Maar ondanks alles, ondanks de geur van de bomen, ondanks de eenvoud, ondanks de stilte waar ik dacht naar te smachten, verlangde ik nog het meest naar een internetverbinding. Een connectie met iets of iemand buiten mij. 



III.

Ik keek naar mijn oma en haar Frans lief en vroeg me af of ze echt van elkaar hielden.

Het is moeilijker om voor een overtuiging te gaan als je niet alleen kan zijn. Soms betreur ik mijn ideologieën. De avonturierster, de bohémienne, de polyamoriste, die ik graag zou willen worden, vervaagt nu al in een vrouw die zegt dat ze niet elke strijd tegelijkertijd kan strijden, en dat ze rust nodig heeft, niet per se stilte, maar rust. En een bed.

Mijn oma nam de zoveelste slok van haar zoveelste rosé en zei dat ze er misschien toch meer van had verwacht, van het leven en wat haar nog zou resten, nu de rust was gekomen. 



Ze zei: ’Life is not easy’ – Shakespeare.



En het was weer stil. 



’Zie je die boom daar?’ vroeg ze. 
Dat is un mûrier platane, als het zomer is zullen er genoeg bladeren aan hangen zodat je in zijn schaduw kan liggen.’

Misschien wacht ik hier wel tot het zomer wordt.

Dat is een goed idee.
Ik blijf hier.
Hier bij deze boom.
In the middle of nowhere. 

Zonder zendmast.

Tot er genoeg bladeren hangen. 

Tot de rode bolletjes zijn uitgegroeid tot sappige braambessen. 

Tot de vogeltjes eindelijk de zaadjes hebben gevonden die mijn oma al meer dan een jaar aan deze boom laat hangen.

Oh ja daar heb ik zin in. 



In een braambes, die ik dan opzuig, zo op mijn zij, liggend in het gras, liefst op een borstkas, met dan in mijn linkeroor het geluid van een kloppend hart. 



kahlo

Zijn wat we zijn

Poging I

Ik weet niet zeker of ik tot hem aangetrokken ben

of tot zijn lichaam

of tot wie hij is 

of omdat hij gewoon iemand is
die er nu is.



Als ik hem vraag wat we zijn

zegt hij: ‘we zijn wat we zijn.’ 


Ik denk dat ik tot hem ben aangetrokken

omdat ik graag zou zijn zijn 
wat we zijn.



(Het zou ook kunnen dat we niets zijn.)



Hij stond op het feestje, waar ik ook was

ik zei dat ik hem niet terug kon kussen. 



Want als ik hier sta

op dit feestje

waar iedereen naar me kijkt

en ik kus 

en ik wil meer

en ik krijg het niet 

dan ga ik omvallen. 



Hij kuste me

en ik viel niet om.

Poging II

Hij zegt dat hij de meeste dingen die ik zeg
niet begrijpt, maar wel voelt.



Tijdens een tête à tête met zijn moeder 

laat hij haar één van mijn smsen lezen

ze vindt dat ik eerlijk overkom

maar zeker niet gemakkelijk.



Het komt omdat ik soms 

een kortsluiting ervaar in mijn brein
als iemand ‘nee’ zegt. 



Hij zegt: 
‘be happy.’



Poging III 



Hij komt klaar, ik niet

we zeggen: ‘we zijn niet verliefd’ 

ik vraag hem of we nog wel 
samen moeten slapen

hij zegt: ‘als ik dat eens wist.’



We staan op 

ik gebruik zijn deodorant

bouw op, breek af
scheld hem de huid vol
en zeg elke keer weer: ‘
sorry.’ 



Steeds vervaagt het weer

wat we waren

wat we zijn.



Ik zeg:
‘
waarom is het toch zo moeilijk

om simpelweg te zijn

wat we zijn.’ 



Hij zegt: 

‘ik ben hier nu toch?’








Illustratie: Anouk Vercouter

Illustratie: Anouk Vercouter