Ik was bijna opgestaan

Kan iemand mij aan de morfine leggen? Of twee Dafalgan Fortes, daar ben ik ook al blij mee. Ik lig namelijk door een te hoge concentratie aan alcohol als een uitgedroogd schepsel in bed. Of een shotje tederheid? Ik zoek een reden om op te staan, maar kan niet direct op iets komen. Dus blijf ik hier liggen tot ik vat krijg op mijn kater. En op de eenzaamheid.

Ik overweeg sowieso om vanaf nu geen enkel initiatief meer te nemen in het leven. Met name in de liefde lijkt me dat een prachtplan. Mensen zitten altijd maar te beweren dat je kansen moet creëren, voor jezelf opkomen, het lot in eigen handen nemen. Bullshit. Ze weten zelf niet waar naartoe. Jezelf zo nederig mogelijk opstellen en schreeuwen tegen de onverschillige grijze muren rondom je bed: ‘laat maar komen, ik geef me over.’ Dat getuigt van moed.

Sam vroeg me vorige week: ‘bedenk je eens je lekkerste gerecht, je zachtste kus, je beste seks. En stel je dan voor dat het nooit meer beter wordt, dat je het beste al hebt gehad.’ Ik antwoordde hem dat ik gevoelig ben voor dat soort gedachte-experimenten. Voordat je het weet blijf je erin hangen. Mensen die geloven dat het beste achter de rug is komen hun bed niet meer uit. Welke zot zet vrijwillig elke dag een dalende lijn in? ‘s Avonds ging ik nog iets met hem drinken op het Mechelseplein in Antwerpen, ik werd dronken en hij gaf me een aantrekkelijkheidsscore van 0,3 op honderd. Ik bedankte hem voor zijn oprechtheid en de mooie score. Persoonlijk vind ik 0,3 een ontroerend getal.

Ja, ik laat me niet makkelijk van de wijs brengen en al zeker niet door een afwijzinkje. Ik sta dan ook stevig in mijn schoenen. Ik kan op dit moment tien mannen bedenken waarmee ik een leven zou kunnen opbouwen. En dan bedoel ik een klassieke liefdesaffaire met alles erop en eraan. Samen dromen. Probleem is dat die mannen de trivialiteit instinctief aanvoelen en mij daardoor wantrouwen. Niemand is graag één van de tien.

Tot zover mijn mogelijke afwijzingsanalyse. Toch leuk om te beseffen dat ik wederom alles onder controle heb. Behalve dan dat ik nog steeds in mijn bed lig met een kater van gigantisch grote omvang waar ik zowel fysiek als mentaal erg onder lijd. Ik probeer in een positie te liggen waardoor mijn hoofd minder bonst. Aangezien ik eigenlijk niet meer kan bewegen lukt dat niet. Ik drink te veel. Kan hier iemand alstublieft de pijn stillen?

In denk dat er in de verte iemand naar mij lonkt. Het is een man in een witte verplegerschort. Hij kijkt mij zacht aan met zijn groene ogen. Liefde is zorg. ‘Spuit maar iets in mijn hart’ zeg ik hem, ‘maakt niet uit wat.’ Ik voel hoe hij mijn voeten masseert, dat ik kreun, een beetje meer naar links, oh ja, daar. Hij fluistert zachtjes in mijn oor: ‘lief, dronken meisje, leven is eenzaamheid, ondanks de vele feesten, ondanks de verdovende middelen, ondanks de kater, ondanks je overmoed.’ Ik ken die zin. Ik heb hem al eens gelezen in een boek.

Ik sluit mijn ogen. Een tijdje later kijk ik naar buiten, een boom laat al zijn bladeren vallen in het schemerlicht. Mijn hoofd bonst niet meer, net zoals mijn hele lijf is het leeg. Niemand is hier geweest.