Ik sta op zich wel open voor de liefde

Ik was die nacht in een Antwerps café en voelde me onverschillig. Ik staarde naar mijn ex-minnaar die met zijn nieuwe verovering stond te pronken, ik voerde een paar matig interessante gesprekken met matig mooie mannen en hield oogcontact dat niet langer duurde dan de gebruikelijke drie seconden. Ik hou wel van mijn koele zelf. Het overvalt me soms, een gebrek aan begeerte of lust. Met dat laatste heb ik het sowieso gehad. Ik heb al in genoeg vreemde bedden gelegen om te weten dat je via die weg niet tot genegenheid of verrijking komt, en al zeker niet tot liefde. Ja, ik durf het gerust toe te geven: ik sta op zich wel open voor de liefde.

Als ik mezelf die nacht in een paar woorden zou omschrijven: alles onder controle.

‘Wat drink je van me’ vroeg een vreemde man me net voor sluitingstijd aan de bar. ‘Cava’ zei ik. Hij bestelde een whisky-cola voor zichzelf en een cava voor mij. ‘Fuck’ zei ik, ‘als ik had geweten dat jij whisky zou bestellen, had ik gin gevraagd. Ik heb de gewoonte om steeds lager te mikken dan wat ik eigenlijk wil. Waarom eigenlijk? Uit beleefdheid denk ik.’ Hij zei: ‘als jij gin wil, krijg je gin.’ Ik vond dat een hoopvol aanbod. Toen ging het snel. Al na tien minuten probeerde hij me te kussen, volhardend gebood ik hem ‘nu nog niet’ en na twintig minuten volgde ik hem naar zijn appartement ergens in de Jodenbuurt. De platenspeler draaide The Prisoner van Gil Scot-Heron en mijn onverschilligheid veranderde in zin.

Hij kleedde me uit en legde me zachtjes op zijn bed. Tijdens het vrijen moest ik huilen. ‘Waarom huil je nu?’ vroeg hij. ‘Ik weet het niet’ zei ik en ik denk dat dat een eerlijk antwoord was. Overal ben ik op zoek naar grootse daden en hoge doelen. En misschien word ik daar zo moe van dat ik me keer op keer binnenloods op onbekend terrein. Gelooft u dat een mens in staat is om kaders te scheppen waar datgene wat hij echt wil simpelweg niet kan ontstaan?

Maar goed, er rolden tranen van mijn wangen en ik strompelde naar de badkamer. Ik passeerde de veranda waar een klein Boeddhabeeld stond. Het beeld keek mij zacht en bemoedigend aan maar negeerde me verder volledig. Terug in bed trok ik het witte donsdeken over mij en lachte ik excuserend naar de man die ik niet kende. Hij lachte verlegen terug. ‘En nu nooit meer wakker worden’ dacht ik en viel in slaap.

Mijn vriendelijk verzoek tot sterven werd niet verhoord. De zon kwam op, we stonden op en dronken thee op zijn terras. We zwegen. Ik wilde een Franse filosoof citeren maar bedacht me dat het beter was om eerst vanuit mezelf te spreken. Ik ga de dingen benoemen. Ik ga benoemen dat ik weende omdat ik plots door een nachtelijke leegte werd overvallen. Een leegte die ik niet goed kan omschrijven, een gevoel dat er iets ontbreekt. Maar dat ik normaal gezien gemakkelijk in omgang ben en ook nog welbespraakt en gedistingeerd en humor, ja ik heb ook humor. En discipline natuurlijk. Heel veel discipline. Iedereen weet: om echt tot iets te komen heb je discipline nodig. En tijd nemen. Zachtjes aan. Dus misschien moeten we een ander kader scheppen. Misschien hier en nu? Dan kan ik iets over mijn leven vertellen en jij over dat van jou. En misschien komen we dan tot… Ja tot wat eigenlijk? Ik kan even niet op het woord komen. Maar wat maakt het uit? Het is maar een woord, hier liggen zoveel mogelijkheden voorbij de woorden, lieve, mooie, onbekende man.

‘Mooi glas’ zei ik.
Stilte
‘Vind je dat? Ik vind het een mottig glas’ antwoordde hij.

Aan de overkant van de straat slenterde een mollig meisje in een grijs schooluniform voorbij. Ze keek een beetje scheel. Haar rugzak was te zwaar en hing scheef op haar rug. De eerste schooldag had haar zichtbaar veel moeite gekost. Hoewel de aanblik van een wanhopige medemens troostrijk kan zijn, voelde ik een sterke drang om haar hoofd op mijn schoot te nemen en haar zachtjes toe te fluisteren ‘stil maar, lief, lelijk meisje, alles komt goed en vergeet niet: la définition du Beau est facile: il est ce qui désespère. Dat komt niet van mij hoor, maar van de Franse filosoof Valéry.’

Ik stond op en zei dat ik mijn spullen in de badkamer ging halen. Met een pot lenzenvloeistof stond ik in de traphal. ‘Hoe lang draag je al lenzen?’ vroeg hij. Ik zou zweren dat er ondanks deze banale vraag nog hoop in de lucht hing, en humor, tonnen vol zelfspot, maar dat alles lag om de één of andere reden net buiten handbereik. Ik antwoordde: ‘dat zal nu toch al zeker drie jaar zijn dat ik lenzen draag.’

Toen ik zijn huis verliet zei hij ‘succes nog met alles wat je doet’ en keek mij zacht en bemoedigend aan.