Betekenis van een nacht

Het is januari. Het feestje is voorbij en we staan op de stoep. Mijn schoenen zitten vol met modder. Zes uur in de ochtend. De gedachte dat mijn zware hoofd de komende uren niet op zijn lichaam zou kunnen rusten maakt me paniekerig. Ik weet dat ik hem beleefd, maar niet te gretig moet meevragen naar mijn huis (dat leerde ik onlangs op een workshop: ‘pitch nooit uit wanhoop.’) Dus vraag ik hem kinderlijk naïef: ‘heb je zin om op vakantie te gaan bij mij thuis?’ Ik kon echt niets beter bedenken, en ik dacht, het woord ‘vakantie’ levert normaal gezien bij de meeste mensen prettige associaties op. Dus volgt hij me op de trein, en daarna achterop de fiets naar mijn huis aan een rivier, tussen de koeien en de velden.

Eens in mijn suite zeggen we niet zo veel, en zo heb ik het graag. Iemand die zwijgt kan een halfgod zijn. Zwijgen en vrijen.

De zon gaat weer onder en de stilte wordt verbroken. We hebben het over huisdieren, dagboeken en grafzerken. ‘‘Het was toch vooral veel zoeken’ dat is de zin die ik later op mijn grafzerk wil’ zei ik. ‘En wat wil jij?’ vraag ik hem. ‘Ik zen er’, dat wil ik op mijn zerk, en als jij dan naast mij komt te liggen, schrijven we voor jou ‘ik zen er ook.’
‘En als we elkaar dan niet meer kennen?’
‘Dan ben ik er alleen.’

Ik denk niet dat hij dat laatste echt meende, maar ik vond het wel een galant antwoord. Daarbij is ‘ik zen er’ de grappigste grafzerkzin die ik ooit heb gehoord. (Nu weet ik wel zeker dat het raadzaam is om met iemand die je amper kent over grafzerken te praten: het gaat iedereen aan en je komt meteen bij de kern van de zaak.)

We kussen, lachen en vrijen tegen de sterfelijkheid.

Onder de douche kijk ik schaamteloos naar het water dat over zijn naakte lijf druppelt. Ik zie verwarring in zijn ogen. Hij vertelt een onsamenhangend verhaal over dat hij onrustig is, dat er te veel drank is, en te veel afleiding, en dat hij zoveel voelt, maar dat hij niet meer weet wat het is. En dat hij probeert te schrijven, maar zelfs de betekenis van zijn eigen woorden niet begrijpt. Hij kijkt me aan: ‘waarom moet alles altijd betekenis krijgen? Waarom krijgen de dingen geen betekenis gewoon omdat ze er zijn?’ De afvoer verstopt, druppels en damp dwarrelen over zijn warrige haar en heel de badkamer loopt over. Het kan me niets schelen. Laat alles maar stromen.

Hij droogt zich zorgvuldig af, zijn voeten klotsen in het laagje water op de houten vloer. Hij heeft gelijk, het is er, wij zijn er, nu nog, meer is er niet. En ik zie mezelf toen ik een jaar of zes was, op de achterbank in de auto terug naar huis na een week zon en lavendel in een ver land. Mijn broer die met zijn mond open slaapt, in zijn hand een dinosauruskoek die smelt. En ik, ik kijk naar buiten met mijn hand uit het raam en denk ‘ik wou dat het voor altijd vakantie was.’