A la recherche du temps romantique 2

Op 22/1 gaf ik verslag van een ontmoeting in een Antwerps café. (zie: https://juliecafmeyer.wordpress.com/2014/01/22/a-la-recherche-du-temps-romantique)
Tot mijn verbazing en verwondering herschreef de man in kwestie het verhaal in zijn perspectief. Hij schrijft onder het pseudoniem Mark Proest:

Ik ben iemand die liever ‘ja’ dan ‘nee’ hoort.

Helaas heb ik onlangs een ‘nee’ gehoord, of eerder een ‘NEE!’, die volgde op mijn ‘ja?’. Mensen kunnen eindeloos vertellen over waarom ze iemand graag zien, maar blijkbaar volstaan drie letters om uit te drukken dat je iemand niet graag ziet.

Toch weerhield dat me er niet van hier te zitten, tegenover mijn date, die nietsvermoedend van haar glas wijn nipt in een veel te groot Antwerps café en in mij een aangename gesprekspartner hoopt te treffen.

Ik bewonder deze vrouw, misschien benijd ik haar zelfs, ze is immers een artieste. Daarmee bedoel ik dat ze erin slaagt haar zieleleven te benutten als inspiratiebron, dat ze haar liefde en leed weet om te zetten in taal, in kunst. Artiesten zijn daarom uitermate sociale mensen, ze nemen namelijk iets dat enkel en alleen van hen is en delen het met ons. Ik bewonder haar ook omwille van haar passie, het vuur dat in haar blik schittert. Ik herken dat vuur als iets dat ik ook bezit, zij het dan dat de filter van mijn verstand enkel vonken door laat schemeren. Haar ogen zijn werkelijk de spiegel van haar ziel, terwijl er bij de meeste mensen toch nog ergens inderhaast een muurtje tussen is getimmerd.

Wanneer het gesprek een wending neemt richting mijn recente gevoelsleven, kom ik tot het besef dat een gebroken hart en een date moeilijk te rijmen vallen. Dankbaar voor de aangeboden empathie, lucht ik mijn hart en uit ik mijn frustraties. Ze luistert nauwgezet, waardoor ik geheel opga in mijn betoog en nalaat een zekere ongemakkelijkheid waar te nemen. ‘Ze was me op zijn minst een uitleg verschuldigd, daar had ik recht op’, declameer ik na mijn verhaal doorheen het café. Mijn date fronst de wenkbrauwen en antwoordt enigszins gepikeerd: ‘Niemand is elkaar iets verschuldigd, we kunnen mensen niet verwijten zichzelf te zijn.’

Dat antwoord zou me zelfs op mijn meest verdraagzame momenten op mijn paard krijgen, laat staan in de huidige situatie. Ik ga in de tegenaanval, en beweer dat ze die boude bewering onmogelijk kan handhaven wanneer ze die toepast op haar eigen leven. Tot mijn verbazing gaat ze verder op het ingeslagen pad, het hedendaags woekerend individualisme wordt op de spits gedreven, en moreel relativisme lijkt haar geenszins te hinderen. Het gesprek ontaardt in een intense discussie, die de serene sfeer in het café nogal bruusk verbreekt. Wat voor de onvrijwillige toehoorders aan het naburige tafeltje de schijn heeft van een algemene en rationeel onderbouwde dialoog, wordt in werkelijkheid gevoed door concrete emoties: mijn verdriet om een liefde die is beëindigd, haar verdriet om een liefde die nooit is begonnen. In beide gevallen komt het neer op dezelfde teleurstellende vaststelling dat er een kloof gaapt tussen wie je hoopt dat iemand is, en wie iemand in feite is.

Op een gegeven moment staat ze recht om ervandoor te gaan, maar ze bedenkt zich. Gelukkig. Hoe onverzoenbaar een discussie ook lijkt, twee mensen zijn het pas echt oneens wanneer ze niet langer met elkaar kunnen spreken. Ze troost me, ze wijst me erop dat het meisje vast wel haar redenen zal gehad hebben om me niet de gehele waarheid te vertellen. Ik zeg: ‘Er rest me enkel de waarheid, het laatste dat ik wil doen is mijn gedachten zo manipuleren dat ik er gelukkig van word.’ Zij vindt het moedig de waarheid te laten verdoezelen door je gevoelens, ik vind het moediger de waarheid in de ogen te kijken ongeacht je gevoelens. Twee mensen, verbonden door hun drang naar passie, gescheiden door de waarheid.

Ze legt haar hand zo teder mogelijk op mijn wang. Ik kijk haar aan: ‘Sorry, Julie, ik denk dat ik hier nog niet klaar voor ben’ en loop met een gebroken poot en een gescheurde vleugel naar mijn eigen bed. En zij, zij wandelt kritisch en gedisciplineerd de volgende kroeg weer in.

A la recherche du temps romantique

Ik ben iemand die liever ‘ja’ dan ‘nee’ zegt.

‘Ja’ is gewoon meegaan, jezelf laten versieren, jezelf laten leiden zonder na te denken, jezelf laten verscheuren. ‘Nee’ is discipline, kritisch zijn, grenzen stellen, niet te snel tevreden zijn, jezelf het beste gunnen.

Maar wanneer ik naar mijn date kijk die voorzichtig van zijn Duvel nipt in een veel te klein Antwerps café, vrees ik dat het vanavond toch op een ‘nee’ zal uitdraaien. Die ‘nee’ zal dan uiteraard niet van mijn kant komen. Want dat is wat er gebeurt: als ik ‘nee’ denk vind ik dat zo’n triest, eenzaam en onromantisch gegeven dat ik tot alles in staat ben voor een positieve wending van het verhaal. Mijn verlangen naar verbinding is zo groot, dat ik hartstochtelijk de tussenweg bewandel.

Dus ondanks weerzin, vermoeidheid en teleurstelling in de man in kwestie zal ik blijven drinken, blijven praten, blijven proberen tot we over een onderwerp precies hetzelfde denken, elkaar een lachje van herkenning schenken en onszelf kunnen wijsmaken dat dit hét is, elkaar compleet verdoofd uitkleden en vervolgens ons oude leven (met een extra desillusie) weer kunnen opnemen. In psychologische termen noemen ze dit verschijnsel ‘destructief gedrag.’

Het motief van de date in kwestie is vaag aangezien hij me na twee Duvels bekent dat hij smoorverliefd is op een Noors meisje dat hem na enkele weken vertier en plezier zonder verklaring heeft gedumpt. Hij was speciaal voor haar als verrassing op Oudejaarsdag naar Oslo gevlogen, waar ze samen zouden klinken op hun liefde voor het nieuwe jaar. In plaats van haar prachtige verschijning kreeg hij een smsje: ‘sorry, ik hou niet van verrassingen en ps: ik wil niet meer.’ Het nieuwe jaar bracht hij door in een tweederangs suite (al de andere kamers waren volzet) in plaats van een houten hutje aan een prachtig meer.

De man tegenover mij is dus geen bereidwillige tijger, maar een gekwetst vogeltje. De kansen naar een ‘ja’ dalen exponentieel, maar genegen zet ik mijn gezicht op ‘empatisch luistervermogen’ en lach er teder en begripvol bij. Dit ziet hij als een teken om al zijn liefdesverdriet over mij heen te storten. Mijn blik dwaalt af naar een man met bruin golvend haar aan de bar. Ik vraag me af ‘wat als ik nu het lef heb om op te staan, om ‘nee’ te zeggen en om naast een nieuwe vreemde plaats te nemen?’ Maar ik zwijg, ik luister vol mededogen, ik mag niet opgeven. Ik ben zijn troost.

Het gekwetste vogeltje probeert in de lucht te blijven door gal te spuwen over het Noorse meisje. Hij maakt zich druk en gedraagt zich als een slachtoffer. Hij vindt het onrechtvaardig dat hij zonder pardon op het stort is gezet. Hij beweert dat mensen zich aan morele codes moeten houden, mensen zijn elkaar verplicht om elkaar op een ethische manier te dumpen.

Nu is het mijn beurt, ik moet de boel hier opfleuren dus grijp ik naar spirituele waarheden. Ik zeg hem dat we op het gebied van de liefde allemaal prutsers zijn, dat we allemaal maar iets proberen, en dat er veel theorieën zijn, maar dat er alleen de praktijk is die ons rest, en dat we daarom liefdevol moeten proberen zijn, zodat we de ander in al zijn onhandigheden en gebrekkigheden kunnen begrijpen. Mijn date fronst en reageert verwonderd: ‘kies jij nu de kant van dat Noorse meisje?’ Ik zeg: ‘er is toch geen waarheid, het enige dat je kan doen is je gedachten zo manipuleren dat je er gelukkig van wordt.’ Hij kijkt naar mij alsof ik een mislukt verlichte meditatieve trut ben die elke avond Zuci thee drinkt en haar kinderen later Ulania en Aenghus zal noemen en neemt nog een slok van zijn Duvel.

Hij zegt dat ik een gebrek aan ego heb, dat ik over me heen laat lopen, als ik zo denk. Er is werkelijk niets in zijn visie dat me aanspreekt. Maar gelukkig ben ik gewillig. En gelukkig overwintert mijn verlangen zelfs de kilste vorst. En gelukkig ben ik tot alles bereid, als ik maar even kan versmelten.

Dus laat ons zwijgen, laat ons vergeten, laat ons verder dolen, laten we elkaar troosten, laten we elkaar vannacht trakteren op bier en verdriet. Ik zal u niet meer berispen, ik zal niet meer slaan, ik zal zalven, ik zal u naar de mond praten, straf mij, ik zal niet meer rebelleren, ik zal knikken en gehoorzamen, ik zal me uitkleden, ik doe alles voor een mooi verhaal, ik doe alles voor een ‘ja.’ Dus buig ik mijn hoofd naar u zodat ik u kan kussen, zodat we deze rampzalige nacht zo snel mogelijk in ons archief kunnen klasseren, zodat we ons eindelijk kunnen ontspannen op deze vermoeiende, complexe wereldbol.

Ik leg mijn hand zo teder mogelijk op zijn wang. Hij kijkt mij aan: ‘sorry, Julie, ik denk dat ik hier nog niet klaar voor ben’ en loopt kritisch en gedisciplineerd naar zijn eigen bed.

En ik, ik wandel met een gebroken poot en een gescheurde vleugel de volgende kroeg weer in.

*****De man in kwestie schreef ons verhaal vanuit zijn perspectief, lees zijn schrijfsels op https://juliecafmeyer.wordpress.com/2014/01/22/a-la-recherche-du-temps-romantique-2/. Het is heel mooi.