Caféklap

Ik werk af en toe in het Werkhuys in Borgerhout. Een café zonder Macbooks en latte macchiato’s. Wel pintjes voor nen euro 50 en nen biljaar. En vooral: lieve mensen. Gisteren kwam ik dan ook drie uiterst charmante mannen tegen: Frans, Luc en Walter. Drie mannen van rond de 50 die vol levensvreugde aan het achterste tafeltje een lasagne zaten te eten. Frans ziet er het grappigst uit, hij heeft nog maar drie tanden over en zijn lange grijze haren, die een beetje in de knoop zitten, hangen over zijn schouders. Luc ziet er melancholisch uit maar toch tevreden. Hij heeft een kettinkje aan met een indiaans-achtig hangertje en zit in een rolstoel. Walter ziet er gewoon vrolijk uit, hij draagt een hip hemd met een vrolijke print.

De mannen vragen of dat ik niet even aan hun tafeltje kom zitten, ik gehoorzaam hun bevel. Bij sommige mensen krijg je in minder dan twee seconden diepgang in je schoot geworpen. Het gesprek gaat over vriendschap, dat het wel eens uit de lucht valt. Met de ware liefde ligt dat een beetje hopelozer. Luc bedenkt dat hij de ware liefde nooit is tegen gekomen en hij lacht vanuit zijn rolstoel. Ik zeg hem “melancholie is de depressie die ja zegt tegen het leven.” Luc herhaalt de zin zorgvuldig. Hij besluit “dat is helemaal waar wat jij daar zegt.” “Komt niet van mij hoor, maar van Arnon Grunberg” antwoord ik. Frans haakt hierop in en zegt een sonnet van Shakespeare op, “ken je die?” vraagt hij. “Shall I compare thee to a summer’s day? Thou art more lovely and more temperate.” En hij geeft nog een citaat cadeau van Flaubert “het enige oneindige in dit leven, is de domheid van de mensen.”

Luc vertelt dat hij tot vier jaar geleden taxi chauffeur was maar door een auto accident verlamd geraakte. Hij is uit een diepe coma verrezen, maar voelde zich niet als herrezen. Frans zegt “en op die zijn benen kunde dus zo hard kloppen als ge wilt, die voelt dus niks hé!” Frans klopt enthousiast op zijn benen. Luc voelt inderdaad niets. Luc begint over zijn carrière als taxichauffeur, en hoe geweldig hij die vond. Oudjaar was zijn favoriete nacht, doorheen het vuurwerk luisterde hij naar de feestverhalen van alle kleuren, rassen en grootten. Arm of rijk. Iedereen zat wel eens naast hem. “Maar het is wel vreemd als ze op een dag het meest elementaire van je afnemen, namelijk ‘rechtstaan.’” Luc lacht. Ondanks alles. Het ontroert me. Ik vind hem mooi. Hij lacht met heel zijn gezicht: zijn ogen worden kleiner, zijn neus wordt breder en hij krijgt kuiltjes in zijn wangen. Een beetje als Julia Roberts maar dan in het mannelijk. Frans zegt trots dat ze samen een keer doorheen Leuven hebben gewandeld en dat hij naar het schijnt een goede rolstoelbediener is.

Walter zegt niet zo heel veel. Hij vermeldt dat hij werkt op een naschoolse kinderopvang. “Playworker” noemen ze dat. “Vind je dat geen prachtig woord?” vraagt hij me. “Spelen, maar daar toch geld voor krijgen, playen en worken tegelijkertijd!” Ik vind het inderdaad een prachtig woord.

Ik moet terug aan het werk. “Zitten jullie op facebook?” vraag ik. Frans antwoordt met ondeugende, twinkelende ogen “ik heb wel ne face, maar genen boek!” Hilariteit alom. Het wordt stil, Frans denkt na en zegt wijselijk “open zielen komen elkaar hoe dan ook tegen, dat is onvermijdelijk en onverwoestbaar. En dát is het mooiste op deze rotwereld.” Hij kijkt me diep in de ogen en lacht z’n drie tanden bloot.