Plagiaat, Professor?

Beste Professor,

Op de Universiteit is er een hele nieuwe wereld voor mij opengegaan. Een wereld van literatuur, geschiedenis, auteurs en theaterstukken die ik nog niet kende. De liefde en passie voor het vak van de taal- en letterkunde werd me vol toewijding meegegeven. Het mooiste moment was toen Professor Peeters, tijdens een college Franse letterkunde, een fragment uit het Roelandslied voorlas en hij zijn tranen niet kon bedwingen. Hij excuseerde zich daarvoor, maar ik vond dat niet nodig. Ik vind niets mis met tranen uit passie, of tranen in het algemeen. Niet dat ik zelf zo wild ben van die tekst maar een professor die al 10 jaar lang het Roelandslied voorleest in een aula, en elke keer weer bij dezelfde regels in tranen uitbarst, dat vind ik passie doorgeven.

Jammer genoeg verliet Professor Peeters de Universiteit. Later kwam ik bij u terecht en kreeg ik de opdracht om te schrijven over de literatuur en het theater. U verzocht mij beleefd om niet vanuit een emotie te schrijven. U vroeg mij om de intuïtie overboord te gooien en te grasduinen in theoretici, citaten en voetnoten. Bij u heb ik nooit één traan van uw wangen zien rollen. Ik zag wetenschappelijkheid, een serieuze blik en een professionele houding.
U vraagt mij om 25.000 woorden te schrijven over een probleem. Dat wordt dan mijn Masterscriptie. Mijn probleem: “hoe gaat de recensent om met de sociaal-artistieke praktijk?”. Het goede nieuws is: ik moet geen oplossing vinden voor dat probleem. Zo kunnen andere studenten nog snoepen van mijn onoplosbare onderzoeksvraag. Daarbij mag ik niet teveel informatie uit mezelf putten: het doel is om relevante bronvermeldingen op te geven van belezen kenners.

Ik ben een robot die een werkstuk schrijft, waar geen haan naar zal kraaien. Ik schrijf een studie van een studie van een studie van een studie. Tussen vier muren. Als enige lichtpunt een Senseo. Een Storywood. Bounty’s. Maar Professor, ik wil schrijven over de dingen die mij raken, de dingen die ik voel en de dingen die ik niet begrijp. Ik wil de dingen die ik lees of zie toetsen aan mijn eigen leven en mijn eigen ervaringen. Ik wil niet verklaren vanuit een theoretisch model! Natuurlijk wil ik de waarheid ontdekken, maar waarom moet ik die waarheid citeren?

Deze middag sprak ik u op de binnenkoer van de Universiteit. Sereen, afstandelijk, professioneel en weinig tijd zoals altijd. Ik zei u dat ik de 25.000 woorden met moeite vind en ik begon redelijk emotioneel te ratelen. Ik verloor mijn beheersing en ik zag dat u dat zeer ongemakkelijk vond.

******************Gevoelens zijn uit den boze.*******************

Ik merkte dat u het eigenlijk ook maar een vervelend onderwerp en een oninteressante case-study vond. U heeft waarschijnlijk ook wel andere dingen aan uw hoofd. Maar we bleven beleefd en we zochten samen naar een antwoord op de onderzoeksvraag. En ik vroeg me af: ‘wie houdt hier nu eigenlijk wie voor de gek?’
Nu was ik het die in tranen wilde uitbarsten. Uit onmacht. Omdat we daar allebei leeglopen op die binnenkoer. Omdat we twee marionetten zijn die ook een theaterstukje opvoeren. Regieaanwijzing: hou afstand, wees koel en afzijdig. En word vooral niet persoonlijk. Al die tijd dat ik les van u kreeg in de theaterwetenschap wilde ik vragen waarom u werd geraakt door een stuk. Wat u voelde en hoe het toepasbaar was op uw leven. Maar dat zou natuurlijk ongepast geweest zijn. Als theater moet raken, waarom kunnen we het dan niet hebben over een raakvlak?

Ik heb mijn tranen kunnen bedwingen. Gelukkig. Ik heb drie keer goed ingeademd. Ik heb mezelf herpakt. Want ik heb mijn cijfer nodig. Ik moet gedisciplineerd door het leven. Ik moet doorzetten. Dan krijg ik als beloning een diploma, en daarmee geraak ik wel aan de bak. Dat is uw belofte.

Voordat u me van plagiaat beschuldigt, wil ik nog meegeven dat deze brief is geïnspireerd uit een tekst van Doris Lessing, gepubliceerd ter gelegenheid van de heruitgave van Het Gouden Boek. Er zijn zelfs zinnen die ik klakkeloos heb overgenomen zonder voetnoot.

Met vriendelijke groet,

Julie