Agnès Varda

De Franse cineaste Agnès Varda is vorige week overleden. Ik ontdekte haar op 3 januari dankzij een interview in het magazine The Gentlewoman. Op die dag noteerde ik in mijn dagboek: “Ontdekking documentairemaakster Agnès Varda: struggle to invent your life.”

– Een vrouw die tijdens een gospelmis schreeuwt: “Hallelujah!”

– Een jongen die aan het graf van zijn vader staat in het memorial park en zegt: “Never again!”

– Een oude man die ik ontmoet aan een marktkraam en me toefluistert: “L’ amour existe.”

– Een Congolese jongen die me zegt: “Congo, c’est le désordre.”

– Een oude man die in de bus een gebed doet opdat we een goede reis zullen hebben.

Maar tijdens deze registraties ervoer ik ook ruis. Minder inspirerende stemmen die me dagelijks vroegen: “Waarom ben je hier alleen op reis?” “Waarom ben je niet getrouwd?” “Waar zijn je kinderen?” “Wat doe je hier?” “Ben je niet eenzaam?”

Inderdaad: wat doe ik hier? Zou ik niet beter naar huis gaan, een man zoeken en een kind maken?

Een vrouw als Agnès Varda is een belangrijk rolmodel omdat ze toont dat je als vrouw kan creëren. Dat je een leven kan uitvinden. Jouw leven. Liefst zo excentriek mogelijk.

Over onze misogyne cultuur zegt ze: “Women have been exploited by so many ‘masters’ in their ‘masterpieces’ to express the male artists’ own troubles. The only remedy is more art by a great variety of women. The movement would need radical lesbians, theoreticians, angry women…”

Varda wilde vrouwen inspireren om te doen wat ze willen. Ze wilde in haar werk tonen dat het leven geen Hollywood-verhaal is dat eindigt als je gekust wordt door een man. Dat het ideaal van ‘the happy home’ niet bestaat. Dat vrouwen er niet alleen zijn om voor mannen te zorgen. Dat oud worden niet betekent dat je lelijk wordt. Dat je op je 90ste je haar paars kan kleuren, een bloemenkrans kan dragen en onweerstaanbaar aantrekkelijk kan zijn. Dat je op elk moment in je leven naar de andere kant van de wereld kan trekken om een film te maken (ook al is de financiering nog niet rond). Dat je bruggen kan bouwen tussen verschillende stemmen en hierdoor een nieuwe wereld kan scheppen.

Als de journaliste van The Gentlewoman een vraag stelt over haar gezondheidsproblemen antwoordt ze: “It’s OK. It’s fine. I decided I should put the accent on what I love to do.”

Het lijkt me de juiste instelling voor het leven. Het leven als uitvinding. Het leven als experiment dat geen einde kent.

Afbeeldingsresultaat voor agnes varda

Deze column verscheen op 3/4/19 in De Morgen

Ter verdediging van Benny Claessens

In De Morgen staat een recensie over de voorstelling Bambi van regisseur Sarah Moeremans en schrijver Joachim Robbrecht. De recensente vat de voorstelling samen als “de Grote Benny Claessens-show met het gekende schmieren, de uithalen naar sector en collega’s… ach. En aan het einde dan maar pleiten voor zachtmoedigheid: hoe makkelijk allemaal. En vooral: hoe vervelend.”


Bambi
is geïnspireerd op een boek van Bruno Latour, We zijn nooit modern geweest. Latour stelt dat we in feite nooit modern zijn geweest omdat de wereld al eeuwen draait rond onze egocentrische zelf. We willen wel veranderen, maar niet ten koste van onszelf. We buiten de aarde en minderheidsgroepen uit, met alle gevolgen van dien. Moderniteit zou betekenen dat we ons niet langer superieur gedragen tegenover andere wezens.

In de recensie wordt Bambi vergeleken met maar één solo van Benny: Hello useless – for W and friends. Maar hij heeft de afgelopen tijd wel meer werk gemaakt.

Zo won hij de belangrijkste Duitse prijs voor zijn rol in Am Königsweg. Tijdens die voorstelling wijkt hij af van het script en schreeuwt het publiek toe: “Hoe komt het dat alleen de elite hier aanwezig is? Waar is de arbeidersklasse? Waarom komen zij niet naar het theater?” Hij schreeuwt ons in de schouwburg toe: “Shame on you!” En dan: “And shame on me!”

In zijn regie van White people’s problems laat hij een actrice van kleur kritisch voorlezen uit het boek Namibia van Zilli Quest. Daardoor wordt de auteur die zich als ‘witte tolerantie’ bestempelt belachelijk gemaakt. Er wordt kritiek geleverd op de vele regisseurs die artiesten van kleur nog steeds op een paternalistische manier op scène brengen.

Als Benny zelf op de scène staat, is het meestal naakt. Zijn naakte lijf belichaamt zijn visie. Geen pleidooi voor de ‘kwetsbaarheid’, maar een politiek engagement. Het is oké om er niet volgens een opgelegde norm uit te zien, om niet volgens de massa te leven. Zijn werk gaat over een nieuwe wereld, is een kritiek tegen een wereld die geobsedeerd is door een hetero-normatieve structuur, calorieën, witheid, geld en consumeren.

Dat is geen ironie, maar een liefdesverklaring naar het publiek toe: het kan ook anders.

En ja, hij geeft ook kritiek op de culturele sector. En terecht. Want geloof mij: het is een fucked-up sector, maar daar zal ik volgende week een column over schrijven.

In Duitsland is Benny een ster. Hoe gaan wij in Vlaanderen om met een stoorzender, een enfant terrible? Hier wordt zijn stem geneutraliseerd. Een stem die zo belangrijk is, die gevaarlijk is, die inspireert en die onze opvatting over het theater en kunst op een heel opwindende manier kan verbreden. Deal with it.

Afbeeldingsresultaat voor benny claessens am konigsweg

Deze column verscheen op 8/4/19 in De Morgen

Spirituele dimensie

Enkele maanden geleden was ik in Wit-Rusland op zoek naar vrouwen die via fluistertechnieken mensen helen, the whisperers.

Ze vertelde me dat ze als kind was gebeten door een hond. Ze had zoveel schrik gepakt door de aanval dat ze een tic kreeg en sindsdien de hele tijd ongecontroleerd met haar ogen knipperde. Haar ouders besloten om haar een jaar niet naar school te laten gaan en brachten haar naar het bos, naar haar grootmoeder. Elke avond brandde haar grootmoeder een kaars en fluisterde ze voor haar. Een jaar later werd ze terug naar huis gebracht. De tic was weg.

Of ik in magie geloof?

Vorige week zag ik de documentaire Bewitched van de nomaden van Vranckx. Een Oegandese heks rookt een pijp en zegt: ‘Ik heb een altaar gebouwd om rituelen uit te voeren. Daar zal ik zieken behandelen. Mijn voorvaderen willen dat ik dit werk doe.’

Een kind is in het meer verdronken. Een maand lang was het lichaam spoorloos. Een heks legde een doek op de oever en legde er kruiden op. Ze riep de naam van het kind en het lichaam kwam bovendrijven.

Of ik in mirakels geloof?

In Myanmar zag ik vrouwen die water offeren aan de boeddha’s. Daarna vallen ze op hun knieën voor een tempel. Ze bidden uren aan een stuk terwijl ze de kralen van hun ketting tellen.

In Rwanda zei een pastoor me: ‘Doe je ogen dicht en vertel me: waar ben je dankbaar voor in dit leven? Ik wil dat je blijft praten tot je niet meer kan. Ik wil dat je al de dankbaarheid voor het leven uit je lijf schreeuwt.’

In het televisie-programma Therapie, waar we getuige zijn van het contact tussen een therapeut en een cliënt, hoor ik stemmen: Kan u mijn gevoelens plaatsen? Ik heb nekpijn. Ik zie dingen die er niet zijn. Waarom lukt het de anderen wel en misluk ik? Ik wil leren aanvaarden wat er gebeurt. Wie ben ik?

Rwanda, Oeganda, Myanmar, Wit-Rusland, Vlaanderen, overal waar ik kom, hoor ik dezelfde stemmen: ‘Vertel me: hoe nu verder?’

Ik verlang naar een spirituele dimensie waarin al deze stemmen samenkomen. Stemmen van onze voorouders, van hen die er wel nog zijn, van al diegenen die we verloren. Een dimensie met een altaar en een kaars. Een kralenketting en een boeddhabeeld. Kruiden die waaien over het meer.

Les_271

Foto door Siarhiej Leskiec – Belarus 

Kosmisch onevenwicht

Ik lig naast hem in bed.

Hij zegt: “Morgen begint de astronomische lente. Dat betekent dat de zon vanaf dan loodrecht invalt op de evenaar. Vanaf morgen zien we alles letterlijk in een ander licht.”

Een week geleden kreeg ik een lezersbrief van een man die zich voorstelde als doctor in de filosofie. Hij schreef: “Er is iets wat ik niet begrijp in je teksten. Je schrijft zo vaak over de liefde en lust die in je lichaam zit. Toch lijkt het alsof je niet aan beminnen toekomt.”

Ik lig naast hem in bed.

De Sloveense socioloog Slavoj Zizek beschrijft het universum als een leegte. Creation is a cosmic inbalance. Dingen ontstaan door een botsing, door een vergissing.

Nieuwsbericht: “Zo’n 518 miljoen jaar geleden vond in het huidige China een onderzeese modderverschuiving plaats. Nu hebben paleontologen de versteende slachtoffers van de ramp teruggevonden: een wonderlijke schatkamer vol absurde zeedieren.”

Bizarre kwallen, zeesterachtige wezens en zilverachtige zeewormpjes.

Eén verschuiving en er ontstaat een schatkamer.

Ik schrijf de filosoof een e-mail terug: “Omdat ik je niet ken, heb ik besloten je een openhartige brief terug te schrijven: ik durf niet.”

Ik lig naast hem in bed.

Ik droom van een 95-jarige vrouw, ze draagt een bloemenschort en is de gang aan het dweilen. Naast haar staat een gele emmer, ze zegt: “Lief meisje, mensen onderschatten de kracht van beweging. Het is maar één simpel initiatief, kijk.” Ze opent haar armen, houdt me vast en fluistert in mijn oor: “Rol naar hem toe.”

Ik schiet wakker uit de droom, sluit me op in de wc en stuur in het midden van de nacht nog een e-mail naar de filosoof: “Ik lig naast iemand in bed, maar ik durf niet.”

Hij schrijft terug: “Misschien moet je het een kans geven in het ochtendgloren. De ochtend kan zo mooi zijn: een opkomende zon, een lichaam dat nog de juiste plooi moet zoeken. Dat heeft iets heel opwindends. En vooral: een ochtendlichaam is helder. Het is er, zonder omwegen.”

Ondertussen op de radio: “Door het lenteweer is het ijsoppervlak van Lake Michigan in miljoenen blauwe ijsscherven gebroken.”

Ik ga weer naar boven. Het nieuwe licht schijnt binnen. Ik ruik zijn ochtendlichaam.

Creation is a cosmic inbalance. Een botsing, één simpel initiatief.

Kan de aarde hier eens kantelen?

Dan rol ik naar hem toe, streel ik door zijn haar en dan nog zoveel meer.

Afbeeldingsresultaat voor lake michigan ice

Lake Michigan

Deze column verscheen op 25/3 in De Morgen

Het voordeel van omvallen

De millennials crashen. Er is sprake van een ‘generatie burn-out’ en ik hoor er ook bij. Een vriend van me zegt: “Een burn-out is een typisch white people’s problem.”

Een burn-out als een eliteprobleem, bijna verwend gedrag. Stellen we ons aan? Of is er wel degelijk iets aan de hand? Een lichaam dat crasht, liegt tenslotte niet. Het kan niet meer en er moet een reden voor zijn.

Is het perfectionisme dat ons de das omdoet? Of is het egocentrisme? Want dat begint mij wel op te vallen als ik zo rondom me heen kijk. Of nee, correctie, ik kijk niet meer rond. Ik kijk vooral naar mezelf. De hele wereld gericht op mijn ik.

Ja, ik beken, ik ben schuldig aan een extreem egocentrisme dat gigantische proporties aanneemt. Ik bel mijn vrienden en heb het alleen maar over mijn belangrijke zelf en de verwezenlijking daarvan: mijn potentie, mijn calorieën, mijn relatieproblemen, mijn carrière, mijn ontstoken puist, mijn verdriet, mijn psychotherapie, mijn diëtiste, mijn eenzaamheid, mijn vet, mijn vakantie, mijn man, mijn columns, mijn glutenintolerantie, mijn maandstonden, mijn familieopstelling, mijn Netflix-account, mijn marathon, mijn huis, mijn grenzen, mijn slaaptekort, mijn geld, mijn orgasme, mijn tijd, alles is: mijn – mijn – mijn. Iets te weinig: ons.

Dat is natuurlijk allemaal heel zwaar voor mij. Daarom trek ik me soms terug tijdens een yogasessie waarbij ik eindelijk nog eens connectie kan maken met mezelf.

Afgelopen zaterdag vroeg de lerares ons om in twee rijen tegenover elkaar te staan. Zo moesten we even niet naar onze lijven kijken in de spiegel, maar konden we naar elkaar kijken. Ik probeerde contact te maken met iemand aan de overkant. Dat lukte niet. Iedereen keek met grote ernst naar een of ander spiritueel punt in de verte.

De lerares vroeg ons om dankbaar te zijn naar onszelf toe. Dank jezelf dat je hier voor jezelf bent.

De zonnegroet begon en ik viel de hele tijd om. Het voordeel van het omvallen was dat ik de aandacht van mijn overbuur wist te trekken. Een blonde, jonge man met een lichtjes klungelig lijf lachte naar me.

Ik keek naar hem met een verontschuldigende expressie als: ‘Ja, ik kan er niets van!’ Dat deed hem nog harder lachen. Hij slaagde er ook niet in om op één been in balans te blijven. We kwamen in een soort van rare, ingehouden slappe lach terwijl de rest van de groep met gesloten ogen in een eenheid met zichzelf poogde te komen.

Wat ben ik deze jongen dankbaar dat hij naar me lachte. Misschien is dat wel de remedie tegen burn-out: een ontmoeting in onze onkunde.

Afbeeldingsresultaat voor no name self

Noname

Deze column verscheen op 27/3/19 in De Morgen

Vrijgevochten vrouwen (II)

Ik ben koffie aan het drinken met een vriend, C. Hij zegt: “Jij presenteert jezelf in de krant als een diehard feministe. Een vrijgevochten vrouw die geen man nodig heeft.”

Ik vertel hem dat ik al enkele kwade mails heb ontvangen naar aanleiding van mijn columns. Mannen die denken dat ik een mannenhaatster ben. Ik ben soms bang dat ik doorsla in al dat feminisme. Dat het aan mij ligt. Dat ik te hard ben. Dat ik afschrik.

Zo heb ik spijt van mijn column: ‘Nymfomane’, waarin ik boos werd op een man, S, die me niet wilde aanraken in bed. Hij zei: “Ik heb de indruk dat jouw bed overbevolkt is, ik wil niet dat je me consumeert”.

Ik werd woest omdat hij me ongedeerd liet.

Achteraf denk ik: misschien wist hij niet hoe me aan te raken en heb ik hem hardhandig weggejaagd.

Hier volgt een bekentenis: ik weet eigenlijk ook niet hoe ik iemand moet aanraken. Hoe ik met mijn hand tot zijn middel geraak. Mijn voet tussen zijn benen. Mijn mond naar zijn hals. Vooral de laatste drie centimeter kan ik niet overbruggen.

Nog een bekentenis: ik begrijp dat hij bang is om een van de velen te zijn. Ondanks mijn ontelbare epistels over de vrije liefde word ik ook volledig paranoïde van polyamoureuze zielen.

Er heerst dus een misverstand – zowel in mijn teksten als in mijn bed – dat ik graag rechtzet.

De column van Bart Eeckhout over de stemwijzer inspireert me. Hij schrijft over een samenleving die nog altijd schrikt als een intelligente, ambitieuze jonge vrouw behalve moeder ook procureur des Konings is. Dat nog veel vrouwen worden teruggeworpen op hun moederrol wijt hij aan structurele oorzaken.

Als ik het over feminisme heb, wil ik het niet hebben over één man die iets ‘fout’ doet. Het gaat om de structuur van een samenleving.

De structuur waardoor er in het verleden – en nog steeds – veel vrouwen in een lege, onbevredigende rol worden geduwd die alleen gaat over het ondersteunen van een man, het opvoeden van een kind en het huishouden.
De structuur waardoor vrouwen die zich uitspreken over hun seksueel genot, nog vaak ‘slet’ worden genoemd.
De structuur waardoor vrouwen nog vaak als oncontroleerbare wezens worden gezien die getemd moeten worden.

Ik wil het hebben over het idee dat gelijkwaardigheid bevrijdend is voor iederéén.

Ik zeg tegen C.: “Een vrouw die opkomt voor haar genot en ambities, is geen mannenhaatster. Meer zelfs, ze wil bemind worden om wie ze is, om haar ideeën, om haar idealen. Ik denk dat mijn teksten daarover gaan: een schreeuw naar liefde, een verlangen om aangeraakt te worden.” Hij zegt: “Dan zal ik je teksten herlezen.”

 

Afbeeldingsresultaat voor david hockney man wash

David Hockney: An appreciation

Deze column verscheen op 20/3/19 in De Morgen

Storm

Het is zondagochtend. We zijn verloren brood aan het maken en ik toon je een krantenknipsel van een panter. Er staat: ‘Eerste foto in een eeuw tijd van zeldzame zwarte panter in Afrika.’  Het dier is gefotografeerd door een camera die aan een bron werd neergezet. Het toestel maakt automatisch een foto als er beweging wordt gedetecteerd.

Ik zeg je dat we in een tijd leven waarin overheersing en consumptie de bovenhand nemen. We willen de planeet overmeesteren omdat we er niets van begrijpen. We denken dat we recht hebben op alle schoonheid van deze wereld, dat alles van ons is. Maar dan blijkt dat het dier dat je zo graag wil zien maar één keer op een eeuw voorbij komt. En dat je dus simpelweg moet wachten.

Je zegt me dat er vannacht een man door een walvis is opgeslokt en uitgespuugd. Ik zeg: ‘Hij zwom waarschijnlijk in de weg.’

We kijken naar Vivre sa vie van Godard. In hoofdstuk 12 vraagt Anna Karina aan een filosoof: ‘hoe weet je of de liefde echt is?’ Hij zegt: ‘Alles moet de tijd krijgen om te rijpen, dat is de zin van ons leven.’

Je vertrekt en even later sms je me dat er geen enkele trein rijdt. Ik stuur: ‘Kom maar terug.’ Het heeft iets gezelligs dat een natuurfenomeen onze avond bepaalt, wij hier met z’n tweeën dankzij de storm.

Buiten waaien er bomen om en vallen er bakstenen naar beneden. Rukwinden van boven de 100 kilometer per uur, maar hier – in dit bed – wordt geen beweging gedetecteerd.  De volgende morgen toon je me foto’s van je reis naar Japan. Rode, groene, gele bladeren in Zen Gardens.

Ik vertel je over het tv-programma Last Days waarin Lieve Blanquaert een bezoek aan de Japanse stad Okinawa brengt. De mensen worden daar meer dan een eeuw oud. Een Japanse man zegt in de camera: ‘Wij leven lang dankzij Ikigai. Er bestaat geen exacte vertaling van dat woord. Het gaat om het vinden van een reden voor een lang leven.’ Hij voegt eraan toe: ‘Onlangs heb ik mijn honderdste verjaardag gevierd. Er waren vele mensen, mensen die veel goeds zeiden. Na een eeuw te leven had ik voor de eerste keer het gevoel dat ik al die tijd mijn best had gedaan.’

De storm is gaan liggen en de treinen rijden weer. Ik zeg: ‘We hebben elkaar nu al vijf keer gezien, elkaar nog niet aangeraakt, en al zeven keer ruzie gemaakt.’ Jij zegt: ‘Ik wil tijd nemen.’  Je vertrekt. Ik kijk nog eens naar de panter. Ergens in de savanne staat een camera.

Afbeeldingsresultaat voor panter foto afrika

Deze column verscheen op 13/3/19 in De Morgen