Gossip about my love life

In de zomer van 2017 maakten Ellen Schoenaerts en ik een podcast. Een podcast over de onmogelijkheid van monogamie, mislukte naaktfoto’s, een veel te hoog libido, hartstocht,  werkloos zijn in de liefde en dienende powerkoppels.
Toen ik de podcast in 2017 beluisterde schaamde ik me diep. Ik vond mezelf te wanhopig overkomen. Nu ik in 2018 luister hoor ik vooral hilariteit en hoop.

Onze producenten wisten heel die tijd niet goed wat ze ervan moesten vinden. Meer zelfs, toen ik hen liet weten dat wij de podcast toch zouden delen, hebben zij ons gesmeekt om hun namen niet publiek te maken. Zij wilden dat wij ons stuk lieten verdwijnen in de doofpot. Wij respecteren hun vraag. Of ja, toch hun eerste vraag.

Bij deze onze allereerste poging van een podcast. Je kan het afzetten wanneer je maar wil, of je kan blijven luisteren en zachtjes tot je laten doordringen dat er sowieso nog grotere losers in de liefde zijn dan jezelf.

GOSSIP_podcast

Illustratie: Debora Lauwers

CREDITS
Met veel dank aan onze fantastische vrienden: Johan, Sammy, Emily, Astrid, Oscar, Jef, Juul, Benny, Steve en Charly

Van en met: Julie Cafmeyer en Ellen Schoenaerts
Interviews: Julie Cafmeyer
Muziek: Ellen Schoenaerts
Illustratie: Debora Lauwers

 

Het heilige water

De mythe zegt dat een Rwandese koningin op een dag haar matras liet drogen die ’s nachts werd doorweekt. De druppels drupten op de grond, vormden een beekje, het beekje werd een rivier, de rivier stroomde verder en zo ontstond het Kivu-meer.

De matras van de koningin was doorweekt dankzij haar orgasme.
Ik denk: als er een plaats bestaat waar het vrouwelijke orgasme het land kan veranderen, dan moet ik daar zo snel mogelijk heen.

Ik doe wat opzoekwerk rond het heilige water, ik lees via Google ‘God heeft deze oceaan aan ieder van ons gegeven’ en ik boek een vliegticket naar Rwanda.

De eerste met wie ik over het heilige water spreek, is Clovis, een man van rond de dertig: ‘Vrouwen komen hier klaar als fonteinen. Het is geen verzinsel. Ik heb het gezien. Ik zweer het je, Julie, het water bleef maar stromen.’ Hij hapt naar adem tijdens zijn getuigenis. Tot op heden moet hij nog steeds bekomen.
‘Hoeveel water was het dan, één liter?’
‘Nee, nee, zeker acht à negen liter. Het vloeit, overvloedig! Ik heb de volgende nacht bij mijn huisgenoot moeten slapen, mijn matras was na een dag nog steeds niet opgedroogd.’

Mannen spreken hier over het vrouwelijk orgasme als over een feest, muziek, een heroïsche daad.

Enkele dagen later zit ik op de bus. Ik zit naast een bloedmooi meisje, Noah. We geraken aan de praat en na twintig minuten houd ik het niet meer: ‘Ken jij het heilige water?’ Ze komt niet meer bij van het lachen. Als ze weer op adem komt, zegt ze – nu heel ernstig: ‘Ja, ik ken het. En ik heb het. I have the water. En jij hebt het ook. Het is belangrijk dat je verlangens bevredigd worden. Hier is het heel normaal om je man te verlaten met als reden: ‘I’m sorry, I’m not satisfied.’

Ze beschrijft het vrouwelijke orgasme niet als een geschenk, maar als een vereiste. Als een trilling die de wereld in beweging brengt. Ze zegt: ‘Een vrijpartij waarbij de vrouwelijke orgasmes het ritme bepalen, is een wezenlijk andere vrijpartij. Je moet het proberen.’
‘Is het echt zoveel water?’
‘You want to see a video?’
‘A youtube video?’
‘I’ll show you my personal video.’

Ik zie het lid van haar vriendje, maar ik zie vooral veel water. Het stroomt, stroomt en het blijft maar stromen. Ik zweer je dat het liters zijn.
‘Hoe kan ik dat water krijgen?’
‘Kom straks met me mee. Ik zal je een medicijn geven, water met drie soorten bloemen. Daarna zullen we samen op bed liggen en zal ik het je tonen. De koningin gaf ons het water en nu kunnen alle vrouwen op de wereld het aan elkaar doorgeven.’

En zo rijden Noah en ik door het land van de duizend heuvels naar het Kivu-meer.

heilige water.jpg

Foto door Maxime Ballesteros 

Deze column verscheen op 16/08/2018 in de reeks ‘Zomertijd’ van De Standaard

Goma

Ik zwem in het Kivumeer in de Rwandese stad Gisenyi. Vanaf hier zie je de Congolese stad Goma in de verte liggen. De meesten die hier zwemmen, zijn Congolezen. Hier is het rustiger dan in Congo. Toch hebben ze het maar over één ding: hun stad, Goma.

‘Hoe is het leven daar?’, vraag ik een man van rond de veertig.
‘Vous connaissez la réalité au Congo. Mais quand même ça évolue.’
Velen die over Goma spreken, eindigen hun zin op dezelfde manier: ça évolue, ça évolue.
‘Er is geen water, geen elektriciteit. En er zijn diefstallen. Vorige week hebben ze in een wijk een dief op de barbecue gegooid en opgegeten. Gewoon met mes en vork op een bordje, en wat saus. De mensen wilden duidelijk maken dat ze de dieven beu waren. Sindsdien zijn er geen diefstallen meer in die wijk.’

Er wordt ook weleens beweerd dat de choquerende verhalen over Goma verzinsels zijn. De lugubere geruchten maken de mensen bang, geven hen geen stabiliteit, geen vertrouwen in hun stad, in de ander, in zichzelf. Een dictator heeft angst nodig, zo kan hij regeren.

Ik zit nu op het strand en een jongen van een jaar of twaalf komt bij me zitten. Hij stelt zich voor als Samuel en vraagt me hoe het leven in België is. Hij zegt: ‘Ik wil naar België om onze kolonisatoren te ontmoeten.’
‘Waarom?’
‘Ik wil hen zeggen dat ze terug moeten komen.’
Ik zeg hem dat het goed is dat de tijd van de kolonies achter ons ligt, dat onafhankelijkheid altijd beter is. Hij zegt: ‘Mais madame, maintenant, c’est le désordre.’

Een jongen van achttien komt ook bij ons zitten, zijn naam is Joshua.
‘Hoe is het leven in Goma?’
‘C’est la guerre, mais ça évolue.’
Hij zegt: ‘Jullie hebben ons misschien de onafhankelijkheid gegeven, maar die onafhankelijkheid wordt niet beleefd. Congo is een land vol diamanten. Wij kennen ons land, maar het zijn de blanken die altijd alles afnemen. We zijn nog steeds slaven, we leven nog als gekoloniseerden, we leven in een dictatuur.’
‘Wie kan jullie helpen?’
‘De Congolezen zelf. On a besoin du pouvoir au peuple. Ca va évoluer, ca va évoluer. Parce qu’on résiste. Een mens is samengesteld uit drie dingen; een lichaam, een ziel en een geest. Het is de geest die ons naar het bovennatuurlijke laat reiken.’

Samuel blijft stil. Joshua tuurt in de verte en vraagt me: ‘Is het in België eigenlijk toegestaan dat blanken met zwarten trouwen?’
‘Natuurlijk.’
‘Leg me dan eens uit waarom ik hier bijna nooit een zwarte zie die samen is met een blanke? Vanwaar die gigantische kloof tussen les blancs et les nègres? On a le même sang, on a le même souffle. Ca me fait mal.’

We zwijgen nu lange tijd. We luisteren naar het geluid van de golven die aanspoelen. De zon gaat onder, de hemel en het water worden roze.
De kleine jongen, Samuel, doorbreekt de stilte en vraagt me:
‘Wil je me leren zwemmen?’
We duiken met z’n drieën het water in.
Na twintig minuten kan hij zwemmen.

gomaDeze column verscheen in De Standaard op 09/08/18 in de reeks Zomertijd

Je bent je leven

Sluit je ogen en beeld je in:
Je bent in een boekenwinkel. De muren zijn hier groen geverfd en er staan planten van zes meter hoog op de vensterbank. Je neemt een boek met een blauwe kaft. Je slaat het boek open en leest een quote van Sartre: You are your life – and nothing else. Je beseft dat je acties in je leven elke dag bepalen wie je bent, wie je wordt.

Je wandelt met het boek door de stad, je ziet bergen en je kijkt dankbaar naar een boom met rode bloemen. Je neemt een bus, je ruikt de zee en je zet een koptelefoon op. Je hoort nu opzwepende, oriëntaalse muziek. You are your life. Je zou een buitengewoon, sensationeel leven kunnen leiden. Jij bent de outsider, jij bent de uitzondering. Maar hoe?

Je denkt aan al die grijze dagen dat je je best doet voor een spectaculair leven, dat je er alles voor zou geven, maar dat de realiteit niet meer is dan Netflix, masturberen, katers, fitness, afwijzingen. Je wereld is te klein. Je lijf is klaar voor een tantrische transcendentie, een sacrale ervaring, een psychedelische trip, maar er gebeurt niets. Je vraagt je af of er nog andere hongerige lijven in de buurt zijn. Misschien kunnen zij iets in beweging brengen. Maar er klopt niemand op de deur, er is geen aanhang.

Je lijf is nu moe, je lijf doet pijn. Dus sta je toch maar weer op, je verlaat de bus. Je bent nu op een zandvlakte. Je ziet een hefboom, alsof je aan de grens staat naar een ander land, een andere wereld. De grenspost zou een fata morgana kunnen zijn, dat weet je niet, dat kun je ook nog niet weten.

You are your life, you are your life.

Je bedenkt dat er plaatsen zijn waar mensen klaarkomen als fonteinen, waar mensen zich wassen in een warmwaterbron, waar mensen zingen voor de walvissen. Er bestaat een woestijn in Australië waar de Aboriginals elke ochtend hun dromen voor elkaar uitbeelden. De hele dag worden er dromen gespeeld.

Je vraagt je af hoe jij je droom zou uitbeelden. Het idee komt als vanzelf. Je armen en benen maken zachte bewegingen in de zandvlakte. Wit zand dwarrelt in het rond, het glinstert in de zon.

En er is muziek. Je hoort gospels in de verte. Je wandelt, het gezang bepaalt je richting. Je staat nu oog in oog met een vrouw in een witte jurk die op een trommel slaat. Ze covert ‘Blackbird’ van Nina Simone. Jij hoort alleen het geluid van de trom, als een oergeluid.

You are your life, you are your life.

Open je ogen.

Je staat nog steeds in de zandvlakte en je vraagt je af waar je naartoe zult gaan. Je kijkt naar boven, naar een eindeloze sterrenhemel. Je beseft dat je geen richting hoeft te kiezen. Je lichaam weet wat te doen, hoe het zich in deze wereld moet bewegen. Je weet dat het juist zal zijn, altijd. En je denkt: ja, dit is vrijheid.

ulrich seidl 2

Ulrich Seidl, Hundstage 

Calmez-vous, madame

Ik ga deze zomer naar Rwanda. Ik verlang naar nieuwe aanknopingspunten. Ik verlang naar mensen die een andere wereld in zich dragen.

Behalve de behoefte aan een reis naar Afrika voel ik nog een veel dieper, intenser, allesomvattender verlangen om in mijn bed te blijven liggen. Voor eeuwig. Ik ben een bangerik. Ik ben bang voor een crash in de oceaan, een tseetseevlieg, een onvrijwillige gangbang enzovoort.

Ik moet doen waar ik bang van word. Dat heb ik met mezelf afgesproken in dit leven. Halleluja.

Ik zit in de wachtzaal van de Rwandese ambassade voor mijn toeristenvisum. Alles zal mislopen. Ik voel dat gewoon aan de sfeer die hier hangt. Iedereen steekt me bijvoorbeeld voorbij. Wat wil de mensheid hiermee communiceren? Mijn noodlot? ‘Wanneer is het nu eindelijk aan mij?’, roep ik semi-assertief.

Een vrouw met een baby op haar schoot zegt dat ze hier al drie uur aan het wachten is. Haar situatie lijkt complexer dan de mijne. Oké. Sorry.

Na drie intens lange minuten is het mijn beurt. De vrouw achter het loket wijst me op mijn verkeerde documenten. Mijn vliegticket en hotelboeking zijn in het Nederlands en dat moet blijkbaar in het Frans of in het Engels.

‘Kom maar een andere keer terug.’
‘Ik vertrek volgende week.’
‘Spijtig.’
‘Oké, goed, dan ga ik niet naar Rwanda.’

Ik spreek deze laatste zin uit als een dreigement. Het heeft niet veel effect. Het kan deze vrouw niets schelen of ik naar Rwanda vertrek of de rest van mijn leven in mijn bed spendeer.

Ik barst in tranen uit en nu schrikt ze. ‘Calmez-vous, madame.’ Haar collega, een vrouw in een lange, felblauwe jurk, komt me ophalen. Ze neemt mijn hand en opent een deur die toegang verleent tot de ruimte achter de loketten. Ik ben nu in een lounge vol witte, lederen zetels.

‘Pourquoi est-ce que vous pleurez, madame?’
‘J’ai peur.’
‘Pourquoi est-ce que vous avez peur?’
‘Ik ben bang dat ik het land niet binnen mag.’
‘Il ne faut pas avoir peur! Je zult het land binnen mogen en het zal fantastisch zijn. Rwanda is een mooi land met lieve mensen. Met wie ga je? Ga je iemand bezoeken?’
‘Nee, ik ben alleen.’ Mijn lip begint te trillen.
‘Waarom ga je dan naar Rwanda?’
‘Ik wil de wereld ontdekken.’ Ik stort in.
‘Mais madame, découvrir le monde, c’est magnifique!’

De vrouw zegt dat ze me zal helpen en dat mijn visum binnen enkele minuten in orde zal zijn. En ik vind dat normaal, dat is de service die ik verwacht. Ik ben een blanke vrouw, ik ben het gewend om meteen overal toegang toe te krijgen en als het niet lukt, stort ik in.

Ik stap naar buiten en ik denk aan al diegenen die noodgedwongen onderweg zijn naar een nieuwe wereld. Mensen die niet naar een witte, lederen zetel worden geleid. Mensen naar wie niet gekeken wordt als ze instorten. Mensen bij wie het waarschijnlijk lang geleden is dat iemand hen vroeg: ‘Pourquoi est-ce que vous avez peur?’

Ryan McGinley

Ryan McGinley

Deze column verscheen in De Standaard op 26/07/18 in de reeks Zomertijd